Als het gaat om duurzaamheid, innovatie en internationaal

Nederlands Beleid Biobrandstoffen

In mei 2011 is de Nederlandse wetgeving gepubliceerd die de Europese richtlijnen voor hernieuwbare energie (RED, 2009/28/EG) en brandstofkwaliteit (FQD, 2009/30/EG) implementeert (zie EU beleid biobrandstoffen). Deze wetgeving, die in plaats komt van het Besluit Biobrandstoffen Wegverkeer uit 2007, treedt in werking met terugwerkende kracht per 1 januari 2011. De uitvoering,  toezicht en handhaving van deze wetgeving is bij de uitvoeringsorganisatie Biobrandstoffen van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) ondergebracht.

De implementatie van de RED en FQD is in de Nederlandse wet- en regelgeving gekoppeld aan de Wet milieubeheer. De nadere uitwerking is vastgelegd in:

Deze documenten bevatten een uitgebreide toelichting op het beleid en informatie over de uitvoering van de wetgeving. Hieronder volgt een samenvatting van de hoofdpunten.

Doelstellingen van de RED en FQD
De RED verplicht lidstaten om in 2020 10% van de energie gebruikt in vervoer te laten bestaan uit hernieuwbare energie. Dit omvat niet alleen biobrandstoffen, zoals eerdere doelstellingen die voortkwamen uit de Biobrandstoffenrichtlijn uit 2003, maar ook hernieuwbare elektriciteit. De FQD schrijft voor dat vanaf 1 januari 2011 brandstofleveranciers jaarlijks moeten rapporteren over de broeikasgasintensiteit (hoeveelheid broeikasgasemissies over de gehele levenscyclus van de brandstof, per eenheid energie) van de door hen verkochte brandstoffen en energie voor vervoer. Verder moeten de EU lidstaten brandstofleveranciers verplichten om stapsgewijs de broeikasgasintensiteit van de geleverde brandstoffen te reduceren met minimaal 6% ten opzichte van 2010 voor 31 december 2020. Biobrandstoffen zullen een belangrijke rol spelen voor het behalen van de doelstellingen die zijn gesteld door zowel de RED als de FQD.  Een ander raakvlak tussen de RED en de FQD is dat beide richtlijnen (dezelfde) duurzaamheidseisen stellen aan biobrandstoffen. Alleen biobrandstoffen waarvan is aangetoond dat ze voldoen aan de Europese duurzaamheidseisen tellen mee voor de hierboven genoemde doelstellingen.

 

Verplichtingen voor bedrijven voortvloeiend uit de RED en FQD
De Nederlandse wetgeving implementeert de RED-doelstelling van 10% hernieuwbare energie in vervoer in 2020 (wegvoertuigen en mobiele machines) en legt daarnaast tussendoelstellingen vast voor de komende jaren: 4,25% in 2011, 4,5% in 2012, 5,0% in 2013 en 5,5% in 2014. Bedrijven die brandstoffen uitslaan tot verbruik of anderszins brandstoffen voor wegvoertuigen of mobiele machines op de Nederlandse markt brengen, worden aangeduid als  'registratieplichtigen'. Hierbij moet in zowel de benzine- als dieselmarkt minimaal een percentage van 3,5% gerealiseerd worden. Voorlopig valt onbelaste rode diesel die wordt geleverd aan de binnenvaart nog niet onder de verplichting.

Om mee te mogen tellen voor de jaarverplichting moet de biobrandstof voldoen aan de Europese duurzaamheidseisen. Dit moet door een onafhankelijke deskundige (verificateur) geverifieerd zijn. Evenals de in 2009 in werking getreden Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen regelt de nieuwe wetgeving dat biobrandstoffen die zijn geproduceerd uit afval, residuen, non-food cellulosemateriaal en lignocellulosisch materiaal onder bepaalde voorwaarden mogen worden dubbelgeteld bij het voldoen aan de jaarverplichting (zie Dubbeltelling).

Naast vloeibare biobrandstoffen mogen ook biogas (mits duurzaam) en hernieuwbare elektriciteit worden ingezet voor het naleven van de jaarverplichting indien deze aan wegvoertuigen en/of mobiele machines zijn geleverd. Leveranciers van biogas en elektriciteit kunnen ervoor kiezen om deel te nemen aan het systeem ('opt-in') en hun overprestatie te verkopen aan bedrijven die moeten voldoen aan de jaarverplichting. Hernieuwbare elektriciteit die is geleverd aan wegvoertuigen mag 2,5 keer meetellen voor de jaarverplichting.

Bedrijven die in het kader van de FQD moeten rapporteren over de broeikasgasintensiteit worden in de Nederlandse wetgeving aangeduid als 'rapportageplichtigen'. Dit begrip omvat dezelfde bedrijven als de 'registratieplichtingen' in het kader van de RED aangevuld met leveranciers van brandstoffen aan de binnenvaart en van LPG en CNG. Een groep rapportageplichtigen kan gezamenlijk voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de FQD. De rapportageverplichting over de broeikasgasemissies van brandstoffen heeft betrekking op wegvoertuigen, mobiele machines (inclusief de binnenvaart), landbouwtrekkers, bosbouwmachines en de pleziervaart. Zeescheepvaart valt niet onder deze verplichting.

Vanaf 2014 moeten de rapportageplichtigen voldoen aan een reductieverplichting ten aanzien van de broeikasgasintensiteit: 2% in 2014, 4% in 2017 en 6% in 2020. Biobrandstoffen die worden ingezet voor het realiseren van de reductieverplichting moeten, net als bij de jaarverplichting voor hernieuwbare energie in vervoer, aantoonbaar aan de Europese duurzaamheidseisen voldoen. De totale aan wegvoertuigen geleverde hoeveelheid elektriciteit (dus ook het niet-hernieuwbare deel) telt 2,5 keer mee voor de reductieverplichting.

Administratie m.b.t. naleving van de verplichtingen
In 2011 en 2012 bouwt de administratie voor de naleving van de jaarverplichting voor hernieuwbare energie in vervoer voort op de eerdere Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer (zie Nederlands beleid 2006-2010). Geregistreerden dienen hiertoe binnen twee maanden na afloop van elk kalenderhalfjaar een ingevulde biobrandstoffenbalans (spreadsheet) op elektronische wijze in te dienen bij de NEa. De rapportages over de broeikasgasintensiteit van brandstoffen, waarvan de eerste in 2012, moeten jaarlijks voor 1 maart van het volgende jaar op elektronische wijze aan de NEa worden aangeleverd. Dit tijdelijke administratiesysteem voor beide Besluiten zal in 2013 vervangen worden door een digitaal register, dat door de NEa wordt beheerd.

Voor zowel het tijdelijke als het definitieve systeem geldt dat hoeveelheden biobrandstof administratief mogen worden verhandeld (biotickets). Registratieplichtigen kunnen door aankoop van biotickets voldoen aan de verplichting voor hernieuwbare energie in vervoer, en rapportageplichtigen kunnen door aankoop van biotickets voldoen aan de verplichte reductie van de broeikasgasintensiteit. De wetgeving stelt een maximum aan de administratieve overdracht van in een voorgaand jaar geleverde biobrandstoffen naar de jaarverplichting voor hernieuwbare energie in vervoer in het volgende jaar ('carry-over'). Deze beperking is niet van toepassing op fysieke voorraden. Voor 2011 en 2012 geldt dat maximaal 25% van de jaarverplichting van 2011 respectievelijk 2012 kan worden ingevuld met in het voorafgaande jaar op de markt gebrachte biobrandstoffen. Fysieke en administratieve voorraden biobrandstof, die worden overgedragen naar een volgend jaar, moeten wel voldoen aan de in dat jaar geldende duurzaamheidseisen.

Om de duurzaamheid van biobrandstoffen aan te tonen kunnen bedrijven gebruik maken van duurzaamheidssystemen ('voluntary schemes'), waaronder certificeringssystemen, die door de Europese Commissie zijn erkend. Indien een systeem (nog) niet door de EC is erkend, kan het als gevolg van een beoordeling aan de hand van het Nederlandse toetsingsprotocol nationale acceptatie verkrijgen. Omdat in 2011 nog nauwelijks geaccepteerde duurzaamheidssystemen beschikbaar zullen zijn, geldt voor dit jaar een overgangsregeling:

  • Duurzaamheidssystemen kunnen in 2011 ook nationale acceptatie verkrijgen indien deze zijn aangemeld voor toetsing door de EC of indien deze zijn geaccepteerd door een andere lidstaat (door middel van een 'quick scan').
  • In de eerste helft van 2011 is het voldoende als bedrijven aangeven welk duurzaamheidssysteem, geaccepteerd zoals hierboven aangegeven, zij hanteren. Vanaf 1 juli 2011 moeten deze claims door een verificateur worden gestaafd.
share
Geplaatst op: 21-10-2010|Gewijzigd op: 14-06-2011