Als het gaat om duurzaamheid, innovatie en internationaal

EU Beleid Biobrandstoffen

Europese richtlijn biobrandstoffen (2003/30/EG)
De Europese biobrandstoffenrichtlijn uit 2003 verplicht lidstaten om zich in te spannen om biobrandstoffen voor het wegverkeer op de markt te krijgen. Steun aan de landbouw, bevorderen van de energievoorzieningszekerheid en broeikasgasemissiereductie waren aanleiding in de Europese Unie voor dit initiatief. Volgens deze richtlijn moest in 2005 2 procent van de energie-inhoud van fossiele brandstoffen uit biobrandstoffen bestaan, oplopend tot 5,75 procent in 2010. Deze percentages zijn streefwaarden dus lidstaten waren niet verplicht ze over te nemen. Om de doelstellingen te realiseren konden lidstaten gebruik maken van meerdere opties, namelijk bijmengen van kleine hoeveelheden biobrandstof bij fossiele brandstoffen in de vorm van lage blends en het op de markt brengen van hogere blends (bijvoorbeeld bio-ethanol in de vorm van E85) of pure biobrandstoffen (bijvoorbeeld pure biodiesel, B100). Bijmengen in lage percentages heeft als voordeel dat deze mengsels in gewone benzine- en dieselauto's kunnen worden gebruikt.

Op 25 juni 2009 is de Europese richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG) in werking getreden. Met de implementatie van deze richtlijn in de EU lidstaten wordt de Biobrandstoffenrichtlijn (2003/30/EG) ingetrokken met ingang van 1 januari 2012.

Europese richtlijn hernieuwbare energie (Renewable Energy Directive, 2009/28/EG)
Op 25 juni 2009 is de Europese richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen, oftewel de Renewable Energy Directive (RED, 2009/28/EG) in werking getreden. Deze richtlijn schrijft voor dat in 2020 in de Europese Unie als geheel minimaal 20 procent van het energiegebruik moet bestaan uit hernieuwbare bronnen. De richtlijn moet uiterlijk 31 december 2010 geïmplementeerd zijn in de nationale wetgeving van de Europese lidstaten. Elke lidstaat stelt hiertoe een nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen vast. Hierin moeten de nationale algemene streefcijfers van de lidstaten voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen verbruikt in vervoer, elektriciteit, verwarming en koeling in 2020 zijn vermeld. Deze algemene nationale doelstellingen verschillen per lidstaat (zie Bijlage I, deel A van de richtlijn). Voor Nederland is het nationale algemene streefcijfer 14 procent. De lidstaten moeten in hun nationale actieplannen ook aangeven welke maatregelen zijn/worden genomen om deze doelstellingen te behalen. Met de implementatie van de Europese richtlijn hernieuwbare energie worden zowel de Duurzame elektriciteitsrichtlijn uit 2001 (2001/77/EG) en de Biobrandstoffenrichtlijn uit 2003 (2003/30/EG) ingetrokken met ingang van 1 januari 2012.

De richtlijn hernieuwbare energie schrijft voor de sector verkeer en vervoer een specifieke doelstelling voor, namelijk dat in 2020 minimaal 10 procent van alle transportbrandstoffen (benzine, diesel, biobrandstoffen in weg- en railvervoer en elektriciteit) uit hernieuwbare bronnen moet komen. Het kan hierbij gaan om biobrandstoffen (bijvoorbeeld biodiesel en bio-ethanol) maar ook hernieuwbare elektriciteit en waterstof tellen mee voor de doelstelling. Brandstofmengsels met een aandeel biobrandstof hoger dan 10 volume-procent moeten een apart label krijgen op verkooppunten.

Biobrandstoffen op basis van afval, reststromen, non-food cellulose materiaal en ligno-cellulose tellen dubbel mee voor de nationale doelstelling en/of de verplichting voor biobrandstoffen (Art 21, 2), en de (hernieuwbare) energie die wordt verbruikt door elektrische voertuigen telt 2,5 maal bij het voldoen aan de doelstelling in de richtlijn.

Om biobrandstoffen mee te mogen tellen voor de doelstelling moeten deze aan bepaalde duurzaamheidseisen voldoen. Dit geldt ook voor het mogen meetellen van biobrandstoffen voor een biobrandstoffenverplichting (zoals in Nederland) en voor het in aanmerking laten komen van biobrandstoffen voor financiële steun. Deze duurzaamheidseisen zijn van toepassing op zowel biobrandstoffen als op vloeibare biomassa die gebruikt wordt voor elektriciteit- of warmteproductie.

Zo moet de reductie van broeikasgasemissies, gemeten over de gehele keten van productie van grondstof tot eindgebruik en ten opzichte van fossiele brandstoffen, tenminste 35 procent zijn. Deze eis is van toepassing op alle installaties die na 23 januari 2008 operationeel worden of zijn geworden. Voor installaties die voor deze datum opgeleverd zijn, geldt de minimumeis pas vanaf 1 april 2013. Met ingang van 1 januari 2017 wordt de eis met betrekking tot broeikasgasemissiereductie aangescherpt tot minimaal 50 procent. Vanaf 1 januari 2018 wordt dit minstens 60 procent voor installaties die op of na 1 januari 2017 operationeel zijn geworden. In de richtlijn schrijft de Europese Commissie voor hoe de broeikasgasemissiereductie van biobrandstoffen (en vloeibare biomassa) moet worden bepaald (zie Artikel 19 en Bijlage V). Men kan gebruik maken van de standaardwaarden, of feitelijke waarden gebruiken mits deze worden berekend volgens de methodologie beschreven in de richtlijn. Een combinatie van feitelijke waarden en standaardwaarden per processtap is eveneens toegestaan. De totale broeikasgasemissies moeten worden uitgedrukt in gram CO2-equivalenten per Megajoule biobrandstof (gCO2-eq/MJ). Wanneer een productieproces naast biobrandstoffen ook co-producten oplevert, dan moeten de broeikasgasemissies van het gehele proces aan de diverse producten worden toegerekend (allocatie) op basis van hun energie-inhoud (Lower Heating Value). In de richtlijn worden enkele co-producten genoemd waarvan de energie-inhoud ten behoeve van de berekening op nul wordt gesteld en die dus niet meegenomen hoeven te worden in de berekening. 

Naast de eisen met betrekking tot broeikasgasreductie, moeten biobrandstoffen (en vloeibare biomassa) aan enkele andere duurzaamheidseisen voldoen. De biomassa mag niet afkomstig zijn van land met een hoge biodiversiteitswaarde zoals oerbos, beschermde natuurgebieden en graslanden met een grote biodiversiteit. Ook mag de biomassa niet geproduceerd zijn op land met hoge koolstofvoorraden, zoals waterrijke gebieden en permanent beboste gebieden. Dit geldt ook voor veengebied, tenzij aangetoond wordt dat de biomassaproductie niet leidt tot ontwatering van voorheen niet-ontwaterde bodem. Voor bovenstaande is de status van gronden in januari 2008 bepalend. Er wordt een rapportageverplichting ingevoerd voor bedrijven over andere milieueffecten, zoals bodem, water en lucht. Ook wordt gerapporteerd over het herstel van verarmde gronden, sociale aspecten, voedselprijzen en landgebruiksrechten. Dit laatste is belangrijk voor inheemse bevolkingsgroepen. Indirecte effecten of verdringingseffecten die kunnen optreden als gevolg van het gebruik van biobrandstoffen worden eveneens behandeld in de richtlijn. De Europese Commissie zal elke twee jaar een rapportage uitbrengen over deze aspecten. Die rapportage zal bijvoorbeeld gaan over de methode om indirecte effecten in kaart te brengen. Daarnaast worden de gevolgen voor de voedselprijzen en voedselzekerheid duidelijk gemaakt. In 2014 wordt een eerste evaluatie gehouden.

Europese richtlijn brandstofkwaliteit (Fuel Quality Directive, 30/2009/EG)
Op 23 april 2009 is de nieuwe Europese richtlijn brandstofkwaliteit, Fuel Quality Directive (FQD, 2009/30/EG) gepubliceerd. Het doel van deze richtlijn is het reduceren van de belangrijkste vervuilende emissies tijdens de productie en het gebruik van brandstoffen. Ook moet de richtlijn een bijdrage leveren aan het realiseren van de Europese reductiedoelstelling voor broeikasgasemissies van 20 procent in 2020. De Brandstofkwaliteitsrichtlijn schrijft voor dat vanaf 1 januari 2011 brandstofleveranciers jaarlijks moeten gaan rapporteren over de broeikasgasintensiteit van de door hen verkochte brandstoffen en energie. Met broeikasgasintensiteit wordt bedoeld de hoeveelheid broeikasgasemissies over de gehele levenscyclus van de brandstof, per eenheid energie. Verder moeten de Europese lidstaten brandstofleveranciers ertoe verplichten om stapsgewijs de broeikasgasintensiteit van de geleverde brandstoffen te reduceren met maximaal 10 procent voor 31 december 2020. De vermindering van de broeikasgasintensiteit moet uiterlijk op deze datum ten minste 6 procent bedragen ten opzichte van het in 2010 gerapporteerde Europese gemiddelde broeikasgasintensiteit van fossiele brandstoffen. Deze doelstelling moet worden gerealiseerd door middel van het gebruik van biobrandstoffen, alternatieve brandstoffen en de vermindering van het affakkelen en ontluchten in olieproductie-installaties. Dit percentage kan bij de herziening in 2014, onder meer afhankelijk van de grootschalige beschiikbaarheid van technieken zoals elektrisch vervoer en koolstofvastlegging (CCS), verhoogd worden tot 10 procent in 2020.

Biobrandstoffen mogen alleen worden meegeteld voor de doelstelling als zij aan de duurzaamheidscriteria in de richtlijn voldoen. Deze zijn hettzelfde als de duurzaamheidscriteria in de Europese richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG). De berekening van de broeikasgasemissiereductie van biobrandstoffen gebeurt ook op dezelfde wijze.

Naast broeikasgasemissiereductie- en duurzaamheidseisen bevat de Brandstofkwaliteitsrichtlijn ook technische specificaties voor transportbrandstoffen en houdt daarmee een wijziging in van de Brandstofkwaliteitsrichtlijn (98/70/EG) uit 1998. Met deze richtlijn wordt het mogelijk om hogere percentages biobrandstof bij te mengen in standaardbenzine of -diesel. Voor benzine geldt dat maximaal 10 volume-procent ethanol (E10) en maximaal 22 volume-procent ETBE bijgemengd mag worden. De richtlijn bevat ook maximale gehaltes voor enkele andere alcoholen (zie Annex I). Voor bijmenging van ethanol stelt de richtlijn dat benzine met 5 volume-procent (E5) tenminste tot 2013 beschikbaar moet blijven in verband met bestaande auto’s, die geen garantie hebben om benzine te gebruiken met een hoger biobrandstofgehalte. Standaarddiesel mag volgens de nieuwe richtlijn maximaal 7 volume-procent biodiesel (FAME) bevatten, mits de biodiesel voldoet aan de FAME norm EN 14214. Dit percentage is hoger dan in de huidige dieselnorm EN590, waarin het maximale gehalte 5 volume-procent bedraagt. De Europese Commissie moedigt het Europese Commitee voor Standaardisatie (CEN) aan om te blijven werken aan een norm om hogere gehaltes biobrandstof in diesel te mogen mengen, met name voor B10.

share
Geplaatst op: 11-05-2011|Gewijzigd op: 16-08-2011