Als het gaat om duurzaamheid, innovatie en internationaal

De Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen en de Wet milieubeheer

Hieronder vindt u een aantal vragen en antwoorden over de nieuwe Kaderrichtlijn afvalstoffen en het daardoor gewijzigde hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer.

 

 

Op deze pagina vindt u het antwoord op de volgende vragen:
 

  1. Verandert er iets in de definitie van ‘afval’ in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer met de wijziging van de kaderrichtlijn?
  2. Wat zijn ‘bijproducten’? Zijn dat afvalstoffen?
  3. Hoe wordt het begrip 'bijproduct' ingevuld door de Europese Unie?
  4. Wanneer is een afvalstof geen afvalstof meer?
  5. Zijn er al ‘einde-afval' criteria?
  6. Wat is het verschil tussen ‘bijproduct’ en ‘einde-afvalfase’?
  7. Wat wordt verstaan onder land- en bosbouw in artikel 10.1a, eerste lid, onder f van de Wet milieubeheer?
  8. Wanneer valt niet-gevaarlijk natuurlijk materiaal niet onder de afvalstoffenregelgeving?
  9. Waar kan aan gedacht worden bij de term ‘natuurlijk niet-gevaarlijk materiaal, dat rechtstreeks afkomstig is uit de land- of bosbouw’ (artikel 10.1a, eerste lid, onder f, van de Wet milieubeheer)?
  10. Wat zijn voorbeelden van de uitsluiting van een aantal natuurlijke, niet-gevaarlijke materialen in artikel 10.1a, eerste lid onder f, van de Wet milieubeheer?
  11. Welke wetgeving is van toepassing op de situatie waarbij oogstrestanten van landbouwbedrijf X worden vervoerd naar een co-vergister die deze materialen als biomassa inzet?
  12. Moet groente-, fruit- en tuinafval (GFT) nog apart worden ingezameld?
  13. Wat kan onder het criterium ‘voor de productie van energie uit die biomassa’ in artikel 10.1a, eerste lid onder f, van de Wet milieubeheer vallen?
  14. Wat wordt verstaan onder het criterium: ‘processen of methoden die onschadelijk zijn voor het milieu en die de menselijke gezondheid niet in gevaar brengen’, in artikel 10.1a, eerste lid onder f, van de Wet milieubeheer?

1. Verandert er iets in de definitie van ‘afval’ in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer met de wijziging van de kaderrichtlijn?
Ja, de definitie is op twee punten gewijzigd, maar dit heeft geen grote gevolgen in de praktijk.

De oude definitie was:
'afvalstoffen': alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen

De nieuwe definitie is:
'afvalstoffen': alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen

De verwijzing naar de bijlage bij de richtlijn vervalt, maar dit heeft weinig consequenties omdat alle stoffen al onder te brengen waren in de bijlage. Verder is het begrip ‘producten’ in de trits: stoffen, preparaten of producten, vervangen door het begrip ‘voorwerpen’.

 

 terug naar boven

2. Wat zijn ‘bijproducten’? Zijn dat afvalstoffen?
Nee, dit zijn geen afvalstoffen volgens de nieuwe kaderrichtlijn. Bijproducten zijn stoffen of voorwerpen die het resultaat zijn van een productieproces dat niet in de eerste plaats is bedoeld voor de productie van die stof of dat voorwerp. Daarbij moet  voldaan worden aan de voorwaarden die zijn genoemd in artikel 5, eerste lid van de kaderrichtlijn afvalstoffen:

 

  • Het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt,
  • De stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is,
  • De stof het voorwerp wordt geproduceerd als integraal onderdeel van een productieproces, en
  • Verder gebruik is rechtmatig en zal niet leiden tot ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.       

Er moet wel aan alle criteria zijn voldaan, wil er sprake zijn van een bijproduct.

 

 terug naar boven

3. Hoe wordt het begrip 'bijproduct' ingevuld door de Europese Unie?
De Europese Commissie kan maatregelen vaststellen om te bepalen volgens welke criteria een specifieke stof of een specifiek voorwerp kan worden aangemerkt als bijproduct en niet als afvalstof. De Europese Commissie dient daarbij uit te gaan van de in de kaderrichtlijn genoemde voorwaarden.
Het is de Europese Commissie, net als de lidstaten, niet toegestaan om afvalstoffen als bijproduct aan te wijzen als niet aan die voorwaarden wordt voldaan. Ook mogen geen extra voorwaarden worden geformuleerd.

 

 terug naar boven

4. Wanneer is een afvalstof geen afvalstof meer?
Een afvalstof die aan de criteria voor de ‘einde-afvalfase’ voldoet wordt niet langer meer als afvalstof gezien. Dat is het geval als die afvalstof een behandeling voor nuttige toepassing heeft ondergaan en voldoet aan specifiek daarvoor opgestelde criteria. Deze criteria zijn echter niet in de kaderrichtlijn opgenomen, maar moeten door de Europese Commissie worden vastgesteld.

 

In de kaderrichtlijn staan de voorwaarden die de Europese Commissie dient te gebruiken bij het opstellen voor die specifieke criteria. Deze voorwaarden komen voort uit  jurisprudentie. Het gaat om de volgende voorwaarden, die zijn genoemd in artikel 6 van de kaderrichtlijn afvalstoffen:

  • De stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen, 
  • Er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp,
  • De stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen,
  • Het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.           

 

 terug naar boven

5. Zijn er al ‘einde-afval' criteria?
Op dit moment wordt binnen Europa gewerkt aan specifieke criteria voor de einde-afvalfase. Dit is het geval voor metaal. Ook zullen er binnen de Europese Unie criteria worden opgesteld voor bijvoorbeeld papier en glas. Indien deze documenten zijn vastgesteld, zullen deze ook op de site van AgentschapNL worden geplaatst.

 

 

 terug naar boven

6. Wat is het verschil tussen ‘bijproduct’ en ‘einde-afvalfase’?
Een bijproduct is nooit een afvalstof geweest. Een stof dat aan ‘einde-afvalfase’ voldoet, is wel een afvalstof geweest maar is dat nu niet meer.
Er zijn dus drie verschillende situaties:

 

  1. Stoffen die geen afvalstof zijn omdat ze als bijproduct zijn aan te merken,
  2. Stoffen die aan de criteria van ‘einde-afvalfase’ voldoen en daardoor geen afvalstof meer zijn.
  3. Stoffen die wel een afvalstof zijn, maar waar hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer niet op van toepassing is. Het gaat dan om de stoffen, preparaten en voorwerpen die in artikel 10.1a, eerste lid zijn genoemd. Dit zijn onder andere:       
  • Radioactieve afvalstoffen, 
  • Niet-verontreinigde grond en ander van nature voorkomend materiaal, afgegraven bij bouwactiviteiten, als vaststaat dat het materiaal in natuurlijke staat zal worden gebruikt voor bouwdoeleinden op de locatie waar het werd afgegraven,
  • Uitwerpselen, stro en ander natuurlijk, niet-gevaarlijk materiaal rechtstreeks afkomstig uit de land- of bosbouw dat wordt gebruikt voor een aantal met name genoemde toepassingen (zie verderop in deze vragen en antwoorden).
  • Dierlijke bijproducten, met inbegrip van verwerkte producten, in de zin van EG-verordening nr. 1774/2002, behalve als deze bestemd zijn om te worden verbrand of gestort of voor gebruik in een biogas- of composteerinstallatie.

 

 terug naar boven

7. Wat wordt verstaan onder land- en bosbouw in artikel 10.1a, eerste lid, onder f van de Wet milieubeheer?
De term ‘landbouw- of bosbouw’ is niet gedefinieerd in de Wet milieubeheer (en kaderrichtlijn). Daarom kan aangesloten worden bij het normale spraakgebruik. Dat betekent dat het hier gaat om activiteiten in de akkerbouw, veeteelt, weidebouw, tuinbouw en bosbouw. Wat niet onder deze noemer lijkt te vallen, zijn natuurgebieden en (gemeentelijke) parken. Omdat de Europese kaderrichtlijn niet helemaal duidelijk is op dit punt en de Engelse tekst meer ruimte lijkt te bieden dan de Nederlandse vertaling, gaat het Ministerie van I&M na in Brussel hoe ruim deze woorden geïnterpreteerd mogen worden. De inzet van Nederland is hierbij om ook het natuurlijke, niet-gevaarlijke materiaal (zoals maaisel en snoeihout) uit bijvoorbeeld natuurgebieden onder deze vrijstelling van artikel 10.1a, eerste lid, onder f te brengen. Zodra hier duidelijkheid over is, wordt dit bekend gemaakt via deze site van AgentschapNL.

 

 

 terug naar boven

8. Wanneer valt niet-gevaarlijk natuurlijk materiaal niet onder de afvalstoffenregelgeving?
In artikel 10.1a, eerste lid onder f, van de Wet milieubeheer is een uitsluiting opgenomen voor een aantal natuurlijke materialen dat aan bepaalde voorwaarden voldoet. Op de stoffen en voorwerpen die aan deze criteria voldoen is de afvalstoffenregelgeving (hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer) niet van toepassing. Het gaat hier om de volgende stoffen en voorwerpen:

 

  • uitwerpselen, voor zover niet vallend onder onderdeel h, onder 1o (dit zijn dierlijke bijproducten)
  • stro en
  • ander natuurlijk niet-gevaarlijk materiaal, rechtstreeks afkomstig uit de land- of bosbouw waarbij deze moeten worden:

gebruikt in de landbouw, de bosbouw  of voor de productie van energie uit die biomassa door middel van processen of methoden die onschadelijk zijn voor het milieu en die de menselijke gezondheid niet in gevaar brengen.

 

 terug naar boven

9. Waar kan aan gedacht worden bij de term ‘natuurlijk niet-gevaarlijk materiaal, dat rechtstreeks afkomstig is uit de land- of bosbouw’ (artikel 10.1a, eerste lid, onder f, van de Wet milieubeheer)?
Voorbeelden hiervan kunnen zijn: oogstrestanten en versnipperd hout. Het moet hierbij wel gaan om stoffen die niet vervuild of gemengd zijn. Oogstrestanten of bloembollen die (veel) bestrijdingsmiddelen bevatten voldoen bijvoorbeeld niet aan het criterium ‘niet gevaarlijk’.
De term ‘rechtstreeks afkomstig’ geeft aan dat het gaat om materialen die als zodanig zijn ontstaan, of vrijkomen, bij landbouw- en bosbouw activiteiten. Bijvoorbeeld de oogst(restanten) van een landbouwbedrijf. Een restfractie groenten uit een groenteconservenbedrijf valt niet onder dit criterium, het gaat hier immers niet om landbouw- of bosbouwactiviteiten. Dergelijke afvalstoffen blijven onder de afvalregels vallen, ook al gaat het hierbij om natuurlijk, niet-gevaarlijk materiaal.

 

 

 terug naar boven

10. Wat zijn voorbeelden van de uitsluiting van een aantal natuurlijke, niet-gevaarlijke materialen in artikel 10.1a, eerste lid onder f, van de Wet milieubeheer?
Voorbeelden zijn:
  • de toepassing van versnipperd hout uit de bosbouw voor wandelpaden in een bos,
  • oogstrestanten (die aan de criteria voldoen) die rechtstreeks als diervoer worden gebruikt bij een landbouwbedrijf,
  • oogstrestanten die worden ondergewerkt op landbouwgrond.

 

 terug naar boven

11. Welke wetgeving is van toepassing op de situatie waarbij oogstrestanten van landbouwbedrijf X worden vervoerd naar een co-vergister die deze materialen als biomassa inzet?
Als het gaat om oogstrestanten die voldoen aan het criterium van artikel 10.1a, eerste lid onder f, van de Wet milieubeheer, dan is de afvalstoffenregelgeving (hoofdstuk 10 Wet milieubeheer) niet van toepassing. De regels gelden dan niet voor het vervoer van deze oogstrestanten en ook niet voor de ontvangst door de co-vergister. Wel kan het zijn dat de Meststoffenwet van toepassing is op het vergisten van deze oogstrestanten.  De positieve lijst van producten die gebruikt mogen worden voor co-vergisting staat in Bijlage Aa, onderdeel IV van de Meststoffenwet. Verdere informatie kunt u vinden in de Handreiking (co-)vergisting van mest van InfoMil.

 

 

 terug naar boven

12. Moet groente-, fruit- en tuinafval (GFT) nog apart worden ingezameld?
De verplichting om GFT-afval gescheiden in te zamelen bestaat nog steeds. In de Wet milieubeheer is die verplichting blijven staan. Wel hebben gemeenten vrijheid in het vormgeven van de inzameling.
 
Bekeken wordt of het mogelijk is alle regelgeving over inzameling van huishoudelijke afvalstoffen, waaronder ook GFT, in één algemene maatregel van bestuur op te nemen.

 

 

 terug naar boven

13. Wat kan onder het criterium ‘voor de productie van energie uit die biomassa’ in artikel 10.1a, eerste lid onder f, van de Wet milieubeheer vallen?
Hier kan gedacht worden aan de volgende toepassingen:

 

  • directe verbrandingsprocessen zoals biomassa stand-alone installaties en in een bij- of meestook situatie,
  • vergassing, pyrolyse en torrefactie met als doel inzet van het getorreficeerde materiaal als brandstof,
  • een vergistingsinstallatie (zoals co- of mestvergistingsinstallatie),
  • andere biomassa installaties.

 

 terug naar boven

14. Wat wordt verstaan onder het criterium: ‘processen of methoden die onschadelijk zijn voor het milieu en die de menselijke gezondheid niet in gevaar brengen’, in artikel 10.1a, eerste lid onder f, van de Wet milieubeheer?
Dit zal per toepassing verschillen. In ieder geval zal aan de relevante wettelijke normen en regels voldaan moeten zijn. Zo zal bijvoorbeeld bij het gebruik van houtsnippers voor een wandelpad aan de achtergrondwaarden van de Wet bodembescherming voldaan moeten zijn. Het voldoen aan de (milieu)regelgeving is een minimumvoorwaarde.

 

 terug naar boven


 

 

share
Geplaatst op: 26-04-2011|Gewijzigd op: 01-02-2012