Doel van het overheidsprogramma GAVE is de ontwikkeling en introductie van klimaatneutrale brandstoffen in de transportsector in Nederland. Belangrijkste activiteit is de ondersteuning van de implementatie van de Europese richtlijn Hernieuwbare energie in de Nederlandse wetgeving op het gebied van biobrandstof. Deze richtlijn stelt dat in 2020 het aandeel hernieuwbare energie in transport 10% moet zijn.
E-nieuwsbrief
Ontvang het laatste nieuws via e-mail: aan/afmelden [1]
Een overzicht van samenvattingen van Nederlandse biobrandstofinitiatieven vindt u in de catalogus van Nederlandse biobrandstofinitiatieven [2].
Engelstalige Gave site
De engelstalige Gave site. Bezoek Gave - climate neutral gaseous and liquid energy carriers [3].
Hier vindt u nieuwsberichten van de lopende maand over GAVE en ook eerdere nieuwsberichten [4].
Februari 2012
02-02-2012 | Shell Eco-marathon komt naar Nederland
Van 17 tot en met 19 mei 2012 testen meer dan 3000 studenten uit heel Europa hun kennis in energie-efficiënt rijden op een geheel nieuw stratencircuit in Rotterdam, speciaal ontworpen voor de Shell Eco-marathon. Het is de eerste keer dat deze zuinigheidswedstrijd in Europa op de openbare weg plaatsvindt en daarmee toegankelijk is voor het grote publiek.
Bron: Autozine [5]
Januari 2012
24-01-2012 | DSM en POET maken belofte geavanceerde biobrandstoffen werkelijkheid in 2013
DSM en POET, een van de grootste ethanolproducenten ter wereld, hebben bekend gemaakt dat zij in een joint venture de productie van bioethanol uit lignocellulose op commerciële schaal zullen demonstreren en de technologie in licentie zullen verkopen aan derden. Dit is een nieuwe stap in de ontwikkeling van biobrandstoffen, gebaseerd op door de beide ondernemingen zelf ontwikkelde, complementaire technologieën. De joint venture, POET-DSM Advanced Biofuels, LLC, zal volgens plan in de tweede helft van 2013 beginnen met de productie van bioethanol uit lignocellulose. De commerciële fabriek die daartoe wordt gebouwd is een van de eerste in zijn soort in de Verenigde Staten.
De beide partners zullen bioethanol produceren uit oogstresten van maïsplanten (de kolven, bladeren en deels ook stengels die op de akker achterblijven na de oogst van de maïskorrels) met behulp van een biologisch proces, waarbij gebruik wordt gemaakt van enzymatische hydrolyse gevolgd door fermentatie. De commerciële demonstratie van de technologie wordt gerealiseerd in het Liberty-project. Daartoe wordt een fabriek gebouwd naast een bestaande fabriek van POET in Emmetsburg (Iowa, Verenigde Staten) waar ethanol wordt gemaakt uit maïs. Initieel zal de productiecapaciteit 20 miljoen US gallon (75 miljoen liter) per jaar bedragen, naar verwachting uit te breiden naar circa 25 miljoen US gallon (95 miljoen liter) per jaar.
Bron: Euronext [6]
24-01-2012 | Bacterie maakt biobrandstof van zeewier
Een genetisch aangepaste E. coli-bacterie kan suiker in zeewier op efficiënte wijze omzetten in biobrandstof. Dat is te lezen in het blad Science. Wetenschappers van het Bio Architecture Lab zien grote mogelijkheden voor hun ontdekking. Zeewier wordt al langer gezien als een mogelijk alternatief voor fossiele brandstoffen.
Bron: Science [7]
19-01-2012 | Test met biodiesel in containerscheepvaart
Maersk Maritime Technologie gaat een proef uitvoeren met 30 ton algendiesel. Een unieke proef omdat het een test op een 300 meter lange containerschip Maersk Kalmar betreft. Het schip onderhoudt een dienst tussen Bremerhaven en India. Normaliter vaart dit type schepen op speciale zware stookolie. De Kalmar zal de biodieselolie inzetten in een van haar generatoren. Het onderzoeksteam gaat met mengsels tussen de 7 en 100% algendiesel testen. De Amerikaanse marine is een belangrijke sponsor van het project.
Bron: Schuttevaer.nl [8]
19-01-2012 | Methanol uit kooldioxide
Steeds meer onderzoek richt zich op het omzetten van koolstofdioxide in vloeibare energiedragers. IJsland blijft zeker niet achter. Op het eiland maakt men veel gebruik van geothermische warmte voor het opwarmen van huizen en bij productieprocessen. Tijdens het opwekken van deze warmte komt vaak CO2 vrij. Het bedrijf Carbon Recycling International (CRI) wil het gas gaan benutten. Ze gaat de afgevangen stoom met koolstofdioxide transporteren van de Okra geothermische energiecentrale, vlakbij Reykjavik, naar een nabijgelegen fabriek. De kooldioxide is aldaar gemengd met waterstof en met behulp van een katalysator omgezet naar methanol.
CRI zegt jaarlijks 5 miljoen liter methanol te kunnen produceren. Private partijen zijn bereid gevonden om 20 miljoen dollar te investeren. Volgens Benedikt Stefansson, een van de directeuren van CRI, kan hun methanol eenvoudig met benzine gemengd worden. De situatie in IJsland is wel uniek. Om waterstof te maken is veel energie en zuiver water nodig. Omdat IJsland over voldoende geothermische energie en watervoorwaarden beschikt, is dit geen bottelnek.
Wetenschappers debatteren nog over het feit of kooldioxide winning tijdens geothermische energieopwekking wel duurzaam is. Tegenstanders beweren dat je uiteindelijk toch kooldioxide aan de atmosfeer toevoegt. Het proces en omstandigheden zijn in ieder geval wel uniek.
Bron: carbonrecycling.is [9]
19-01-2012 | Ethanol uit koolmonoxide
In Nieuw-Zeeland gaat het bedrijf, LanzaTech, op commerciële schaal met behulp van een gemodificeerd micro-organisme ethanol maken uit koolstofmonoxide. Volgens de initiatiefnemers zijn alle typen bronnen van koolmonoxide te gebruiken. Men maakt namelijk gebruik van een microbe die bestand is tegen de meest gebruikelijke verontreinigingen. Vooral bij staal- en cementproducenten, die op grote schaal rookgassen emitteren is deze technologie inzetbaar. De microbe maakt geen gebruik van waterstof omdat zij deze zelf produceert. Op labschaal werkt het proces in elk geval goed en bij een staalfabriek in China is een pilotinstallatie gepland. De demo staat in Soperton en heeft de naam Freedom Pines Biorefinery meegekregen
Bron: LanzaTech [10]
19-01-2012 | Biogas uit sloophout
Een consortium van Gasunie, HVC groep (afvalbedrijf Alkmaar), Taqa (energiebedrijf Abu Dhabi), apparatenbouwer Dahlman en aannemer Ballast Nedam gaat een biogasdemonstratie-installatie bouwen in Alkmaar. Het procesontwerp is afkomstig van ECN.
De fabriek gaat vijf miljoen kubieke meter gas per jaar produceren uit sloophout. Dit komt overeen met een aardgasgebruik van ongeveer 3.500 huishoudens.
Het ECN-proces vergast eerst snippers sloophout bij een temperatuur van negenhonderd graden Celsius. Er ontstaat een gasmengsel van onder andere methaan, waterstof en koolstofmonoxide. Daarna verwijdert een tweede apparaat teer door het op te lossen in twee oliën.
Bron: technischweekblad.nl [11]
19-01-2012 | Micro biodiesel
In de Angewandte Chemie is onlangs een artikel gepubliceerd van de Technische Universiteit van Munchen over een nieuwe productietechniek om van micro-algen biodiesel te maken. De onderzoekers hebben een nieuw katalytisch proces ontwikkeld. In het verleden gebruikten producenten zwavelhoudende katalysatoren die vooral vervuilend zijn. De wetenschappers hebben volgens het artikel een katalysator ontwikkeld op nikkelbasis bestaande uit zeolieten, de zogenaamde HBeta. Een belangrijk voordeel is dat de benodigde omstandigheden een stuk milder zijn dan bij zwavelhoudende processen, namelijk 260 graden Celsius, 4 megapascal en MPa waterstofdruk).
Het eindproduct bestaat uit verzadigde koolwaterstoffen die voor hoogwaardige toepassingen in voertuigen makkelijk toepasbaar zijn. De grondstof, microalgenolie, bevat neutrale lipiden, zoals mono-, di- en triglyceriden en circa 88% onverzadigde C18 vetzuren. De ontwikkelde conversiereactie duurt ongeveer acht uur en genereert 78 procent vloeibare alkanen met octadecaanzuur (C18) als belangrijkste bestanddeel. Het team meldt dat de gasvormige emissies vooral bestaan uit propaan en methaan.
De wetenschappers hebben vastgesteld dat er sprake is van een cascadereactie. De dubbele bindingen van onverzadigde vetzuurketens van triglyceriden worden eerst verzadigd met waterstoffen. Het ontstane halffabricaat is vervolgens gesplitst in glycerinebestanddelen in de vorm van propaangas. Tijdens de laatste cascadereactie zijn de groepen vetzuren stapsgewijs gereduceerd tot alkylgroepen, de beoogde hoogwaardige voertuigbrandstof.
Bron: Spectroscopynow.com [12]
Hier vindt u een link naar het overzicht van samenvattingen van Nederlandse biobrandstofinitiatieven. U kunt deze doorzoeken via het zoekformulier [31] of bekijken via de totale lijst initiatieven [2].
De getoonde projecten zijn slechts een beperkte selectie uit de grote hoeveelheid bio-brandstofinitiatieven in Nederland. Het GAVE team wil een actueel en zo compleet mogelijk beeld schetsen van biobrandstofinitiatieven. Daarbij hebben we uw hulp nodig. Heeft u ook een initiatief en staat u niet vermeld in onze lijst of is de informatie verouderd? Laat het ons dan weten via gave@agentschapnl.nl [32].
Alvast hartelijk dank voor uw medewerking.
In mei 2011 is de Nederlandse wetgeving gepubliceerd die de Europese richtlijnen voor hernieuwbare energie (RED, 2009/28/EG) [33] en brandstofkwaliteit (FQD, 2009/30/EG) [34] implementeert (zie EU beleid biobrandstoffen [35]). Deze wetgeving, die in plaats komt van het Besluit Biobrandstoffen Wegverkeer uit 2007, treedt in werking met terugwerkende kracht per 1 januari 2011. De uitvoering, toezicht en handhaving van deze wetgeving is bij de uitvoeringsorganisatie Biobrandstoffen [36] van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) [37] ondergebracht.
De implementatie van de RED en FQD is in de Nederlandse wet- en regelgeving gekoppeld aan de Wet milieubeheer. De nadere uitwerking is vastgelegd in:
Deze documenten bevatten een uitgebreide toelichting op het beleid en informatie over de uitvoering van de wetgeving. Hieronder volgt een samenvatting van de hoofdpunten.
Verplichtingen voor bedrijven voortvloeiend uit de RED en FQD
De Nederlandse wetgeving implementeert de RED-doelstelling van 10% hernieuwbare energie in vervoer in 2020 (wegvoertuigen en mobiele machines) en legt daarnaast tussendoelstellingen vast voor de komende jaren: 4,25% in 2011, 4,5% in 2012, 5,0% in 2013 en 5,5% in 2014. Bedrijven die brandstoffen uitslaan tot verbruik of anderszins brandstoffen voor wegvoertuigen of mobiele machines op de Nederlandse markt brengen, worden aangeduid als 'registratieplichtigen'. Hierbij moet in zowel de benzine- als dieselmarkt minimaal een percentage van 3,5% gerealiseerd worden. Voorlopig valt onbelaste rode diesel die wordt geleverd aan de binnenvaart nog niet onder de verplichting.
Om mee te mogen tellen voor de jaarverplichting moet de biobrandstof voldoen aan de Europese duurzaamheidseisen. Dit moet door een onafhankelijke deskundige (verificateur) geverifieerd zijn. Evenals de in 2009 in werking getreden Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen regelt de nieuwe wetgeving dat biobrandstoffen die zijn geproduceerd uit afval, residuen, non-food cellulosemateriaal en lignocellulosisch materiaal onder bepaalde voorwaarden mogen worden dubbelgeteld bij het voldoen aan de jaarverplichting (zie Dubbeltelling [42]).
Naast vloeibare biobrandstoffen mogen ook biogas (mits duurzaam) en hernieuwbare elektriciteit worden ingezet voor het naleven van de jaarverplichting indien deze aan wegvoertuigen en/of mobiele machines zijn geleverd. Leveranciers van biogas en elektriciteit kunnen ervoor kiezen om deel te nemen aan het systeem ('opt-in') en hun overprestatie te verkopen aan bedrijven die moeten voldoen aan de jaarverplichting. Hernieuwbare elektriciteit die is geleverd aan wegvoertuigen mag 2,5 keer meetellen voor de jaarverplichting.
Bedrijven die in het kader van de FQD moeten rapporteren over de broeikasgasintensiteit worden in de Nederlandse wetgeving aangeduid als 'rapportageplichtigen'. Dit begrip omvat dezelfde bedrijven als de 'registratieplichtingen' in het kader van de RED aangevuld met leveranciers van brandstoffen aan de binnenvaart en van LPG en CNG. Een groep rapportageplichtigen kan gezamenlijk voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de FQD. De rapportageverplichting over de broeikasgasemissies van brandstoffen heeft betrekking op wegvoertuigen, mobiele machines (inclusief de binnenvaart), landbouwtrekkers, bosbouwmachines en de pleziervaart. Zeescheepvaart valt niet onder deze verplichting.
Vanaf 2014 moeten de rapportageplichtigen voldoen aan een reductieverplichting ten aanzien van de broeikasgasintensiteit: 2% in 2014, 4% in 2017 en 6% in 2020. Biobrandstoffen die worden ingezet voor het realiseren van de reductieverplichting moeten, net als bij de jaarverplichting voor hernieuwbare energie in vervoer, aantoonbaar aan de Europese duurzaamheidseisen voldoen. De totale aan wegvoertuigen geleverde hoeveelheid elektriciteit (dus ook het niet-hernieuwbare deel) telt 2,5 keer mee voor de reductieverplichting.
Administratie m.b.t. naleving van de verplichtingen
In 2011 en 2012 bouwt de administratie voor de naleving van de jaarverplichting voor hernieuwbare energie in vervoer voort op de eerdere Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer (zie Nederlands beleid 2006-2010 [43]). Geregistreerden dienen hiertoe binnen twee maanden na afloop van elk kalenderhalfjaar een ingevulde biobrandstoffenbalans (spreadsheet) op elektronische wijze in te dienen bij de NEa. De rapportages over de broeikasgasintensiteit van brandstoffen, waarvan de eerste in 2012, moeten jaarlijks voor 1 maart van het volgende jaar op elektronische wijze aan de NEa worden aangeleverd. Dit tijdelijke administratiesysteem voor beide Besluiten zal in 2013 vervangen worden door een digitaal register, dat door de NEa wordt beheerd.
Voor zowel het tijdelijke als het definitieve systeem geldt dat hoeveelheden biobrandstof administratief mogen worden verhandeld (biotickets). Registratieplichtigen kunnen door aankoop van biotickets voldoen aan de verplichting voor hernieuwbare energie in vervoer, en rapportageplichtigen kunnen door aankoop van biotickets voldoen aan de verplichte reductie van de broeikasgasintensiteit. De wetgeving stelt een maximum aan de administratieve overdracht van in een voorgaand jaar geleverde biobrandstoffen naar de jaarverplichting voor hernieuwbare energie in vervoer in het volgende jaar ('carry-over'). Deze beperking is niet van toepassing op fysieke voorraden. Voor 2011 en 2012 geldt dat maximaal 25% van de jaarverplichting van 2011 respectievelijk 2012 kan worden ingevuld met in het voorafgaande jaar op de markt gebrachte biobrandstoffen. Fysieke en administratieve voorraden biobrandstof, die worden overgedragen naar een volgend jaar, moeten wel voldoen aan de in dat jaar geldende duurzaamheidseisen.
Om de duurzaamheid van biobrandstoffen aan te tonen kunnen bedrijven gebruik maken van duurzaamheidssystemen ('voluntary schemes'), waaronder certificeringssystemen, die door de Europese Commissie zijn erkend. Indien een systeem (nog) niet door de EC is erkend, kan het als gevolg van een beoordeling aan de hand van het Nederlandse toetsingsprotocol [44] nationale acceptatie verkrijgen. Omdat in 2011 nog nauwelijks geaccepteerde duurzaamheidssystemen beschikbaar zullen zijn, geldt voor dit jaar een overgangsregeling:
Bedrijven die benzine of diesel op de Nederlandse markt brengen kunnen bepaalde biobrandstoffen dubbeltellen bij de invulling van hun biobrandstoffenverplichting. Zo kan een bedrijf, dat zijn gehele verplichting voor 2011 zou weten te realiseren met deze betere biobrandstoffen, volstaan met een aandeel biobrandstoffen van 2,125 procent in plaats van 4,25 procent.
De dubbeltelling van biobrandstoffen staat beschreven in paragraaf 6 van de Regeling Hernieuwbare Energie Vervoer [45]. Hiermee is de Ministeriele Regeling Dubbeltelling betere biobrandstoffen uit 2009 komen te vervallen. De inhoud van deze regeling is echter overgenomen in de nieuwe Regeling hernieuwbare energie in vervoer.
Welke biobrandstoffen mogen dubbel tellen?
De paragraaf is van toepassing op biobrandstoffen, die worden geproduceerd uit afval, residuen en lignocellulose materiaal. Uitsluitend grondstoffen die niet hoogwaardiger kunnen worden ingezet dan voor de opwekking van elektriciteit of warmte, compostering of benutting van het lignocellulosedeel als veevoer, komen in aanmerking voor dubbeltelling. Indien voor een bepaalde grondstof wél een alternatieve toepassing bestaat dan moet door middel van een marktanalyse worden aangetoond dat er sprake is van een overschot, om in aanmerking te komen voor dubbeltelling.
Aantonen dat biobrandstoffen voldoen aan de eisen voor dubbeltelling
Om aan te tonen dat biobrandstoffen in aanmerking komen voor dubbeltelling, moeten bedrijven jaarlijks informatie toezenden aan het Ministerie van IenM, als onderdeel van de rapportage over het verplichte marktaandeel biobrandstoffen (zie Artikel 3 van het Besluit Hernieuwbare Energie Vervoer [38]). De informatie die bedrijven aanleveren, moet vergezeld gaan van een zogeheten verificatieverklaring. Inspectie-instellingen moeten zo’n verificatieverklaring afgeven.
Inspectie-instellingen maken gebruik van het verificatieprotocol [46] dubbeltelling betere biobrandstoffen. Dit protocol omvat basisregels, procedures en richtlijnen voor de verificatie van dubbeltellende biobrandstoffen. De verificatie bestaat uit twee fasen. In de eerste, voorbereidende, fase verzamelt de auditor alle voor de verificatie benodigde informatie bij de producent (en eventueel bij leveranciers) en bezoekt hij de productielocatie. Aan de hand van deze gegevens stelt hij een risico-analyse en een verificatieplan op. In de tweede fase vindt de daadwerkelijke controle en steekproefname plaats en wordt gerapporteerd over de uitgevoerde werkzaamheden en conclusies. Indien aan alle eisen wordt voldaan, stelt de inspectie-instelling aan het einde van fase 2 een verificatieverklaring op.
Eisen waaraan inspectie-instellingen moeten voldoen om een verificatieverklaring te mogen afgeven
Inspectie-instellingen die een verificatieverklaring mogen afgeven, moeten geaccrediteerd zijn volgens de inspectienorm NEN-EN ISO/IEC 17020, type A. Daarnaast dienen de instellingen door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd te zijn voor de aanvullende werkzaamheden met betrekking tot het werkveld dubbeltelling biobrandstoffen of dient de de Raad voor Accreditatie voor deze instelling het vooronderzoek voor de accreditatie voor deze aanvullende werkzaamheden en dit werkveld te hebben afgerond terwijl het accreditatieproces nog gaande is.
Mogelijkheid om duurzaamheid aan te tonen met verificatieprotocol
Het protocol biedt ook een mogelijkheid om naast dubbeltelling ook de duurzaamheid aan te tonen van biobrandstoffen die uit bepaalde stromen gemaakt zijn. Het gaat hierbij om biobrandstoffen vervaardigd uit residuen of afvalstoffen die niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstig zijn.
De verificatieverklaring die afgegeven wordt door een inspectie-instelling dient dan zowel als verklaring dat bepaalde biobrandstoffen dubbel mogen tellen als als een verklaring die de duurzaamheid van die biobrandstof aantoont. Voor overige stromen, bijvoorbeeld geteelde lignocellulosische biomassa, moet nog wel een aparte duurzaamheidsverklaring worden meegezonden, naast een verklaring met betrekking tot dubbeltelling.
Ontstaansgeschiedenis van het verificatieprotocol dubbeltelling betere biobrandstoffen
In augustus 2009 heeft toenmalig SenterNovem aan DEKRA opdracht verleend om een verificatieprotocol op te stellen. Na opstelling van een eerste conceptprotocol hebben DEKRA en Control Union een drietal proefverificaties uitgevoerd bij producenten van biobrandstoffen. Na evaluatie van deze pilots is het definitieve protocol vastgesteld.
Verdere informatie
Meer informatie over dubbeltelling en over het verificatieprotocol kunt u vinden in de volgende documenten:
Indien u verder nog vragen heeft over de dubbeltellende biobrandstoffen, dan kunt u contact opnemen met Agentschap NL: Bregje van Keulen (gave@agentschapnl.nl [48])
Met de biobrandstof broeikasgasemissie berekeningstool (kortweg BKG-tool) kunnen de broeikasgasemissies van de productie van transportbrandstoffen uit biomassa berekend worden.
Download de BKG-tool [49]
U vindt hier antwoord op de volgende vragen:
1. Wat is de biobrandstof broeikasgasemissie berekeningstool?
2. Hoe is de BKG-tool ontwikkeld?
3. Welke elementen bevat de BKG-tool?
4. Wanneer moet een berekening uitgevoerd worden?
5. Hoe werkt de tool?
6. Beheer van de BKG tool
1. Wat is de biobrandstof broeikasgasemissie berekeningstool?
Met de biobrandstof broeikasgasemissie berekeningstool (kortweg BKG-tool) kunnen de broeikasgasemissies van de productie van transportbrandstoffen uit biomassa berekend worden.
De emissies over de gehele bio-energieketen (productie, transport en conversie van biomassa) worden meegenomen in de berekening en de tool omvat niet alleen CO2 emissies, maar ook de emissies van de broeikasgassen CH4 (methaan) en N2O (lachgas).
De BKG-tool volgt de methodologie van bijlage V van de Europese richtlijn Hernieuwbare Energie (2009/28/EC [33]), welke gelijk is aan bijlage IV van de brandstofkwaliteitsrichtlijn (2009/30/EC [50]). In de tool worden de standaardwaarden uit deze richtlijn berekend. Daarnaast kunnen met de tool eigen berekeningen uitgevoerd worden.
Agentschap NL heeft een aparte tool ontwikkeld om de uitstoot van broeikasgassen bij de productie van electriciteit, warmte en groen gas uit vaste biomassa. Deze CO2-tool [51] kan worden gedownload.
2. Hoe is de BKG-tool ontwikkeld?
In 2006 en 2007 heeft een projectgroep "Duurzame productie van biomassa" een methodologie opgesteld om de broeikasgasemissies van bio-energieketens te berekenen. Deze methodologie heeft als basis gediend voor de ontwikkeling van de CO2-tool bio-energie, bestaande uit een deel voor elektriciteit uit biomassa en een deel voor biobrandstoffen. In 2008 hebben EcoFys en CE in opdracht van SenterNovem de CO2-tool biobrandstoffen ontwikkeld. Deze tool heeft van 2009 tot augustus 2010 op deze website gestaan. Na het verschijnen van de richtlijn Hernieuwbare Energie (2009/28/EC), inclusief een Europees vastgestelde methodologie in Annex V.C van die richtlijn, is de Nederlandse CO2-tool door SenterNovem - inmiddels Agentschap NL – aangepast aan de vereisten van de richtlijn en hernoemd tot BKG-tool.
In de BKG-tool zijn de waarden overgenomen zoals ook gebruikt bij het berekenen van de default waarden in de richtlijn. Deze waarden zijn deels beschikbaar op de JRC website [52]. De lijst met omrekenfactoren ('standard values') is te vinden op de BioGrace website [53]. Dit Europese project (Biograce [53]) heeft als doel de BKG berekeningen van biobrandstoffen transparant te maken en te harmoniseren ter ondersteuning van de implementatie van de richtlijn hernieuwbare energie en brandstofkwaliteitsrichtlijn (2009/30/EG [50]) in nationale wetgeving. Biograce heeft ook een rekentool ontwikkeld met een gebruikershandleiding en een document met rekenregels.
3. Welke elementen bevat de BKG-tool?
a. Ketens
b. Direct verandering van landgebruik
c. Geen indirecte verandering van landgebruik
a. Ketens
In de BKG-tool worden 22 ketens nagerekend, die in de bijlage V onderdeel A van de richtlijn hernieuwbare energie zijn opgenomen. Dit zijn:
b. Direct verandering van landgebruik
In de tool is ook een module opgenomen voor de berekening van broeikasgasemissies t.v.g. directe verandering van landgebruik. Als verandering van landgebruik optreedt (bijvoorbeeld: een braakliggend stuk grond wordt omgeploegd om daar koolzaad voor biodiesel op te gaan verbouwen) dan leidt dit in de meeste gevallen tot grotere, en soms tot fors grotere, broeikasgasemissies. Ook lagere emissies als gevolg van verandering van landgebruik zijn mogelijk.
De berekeningen worden standaard uitgevoerd zonder verandering van landgebruik. Met de module kunnen verschillende vormen van landgebruik worden berekend, zoals grasland naar akkerbouwland en bos naar akkerbouwland. De grootte van de broeikasgasemissie door verandering van landgebruik is ook mede afhankelijk van de klimaatzone en de grondsoort waarop deze plaatsvindt. De berekeningen zijn gebaseerd op de getallen die zijn gepubliceerd in de "Commission Decision of 10 June 2010 on guidelines for the calculation of land use carbon stocks for the purpose of Annex V of Directive 2009/28/EC [54]".
c. Geen indirecte verandering van landgebruik
Deze rekenhulp neemt de indirecte veranderingen in landgebruik niet mee. De productie van biobrandstoffen op bestaande landbouwgrond kan leiden tot een verplaatsing van de landbouwproductie in de natuurlijke omgeving. De uitstoot van broeikasgassen van dergelijke indirecte veranderingen in landgebruik kan substantieel zijn, maar zijn in dit stadium niet opgenomen in de tool.
In 2011 zal de Europese Commissie met een verslag komen over de indirecte veranderingen in landgebruik plus een voorstel met een concrete methode voor de emissie van koolstof veranderingen in voorraden als gevolg van indirecte veranderingen in landgebruik te berekenen. Als de RED en FQD, als gevolg van een dergelijk voorstel, worden gewijzigd met indirecte veranderingen in landgebruik, dan zal deze tool ook worden bijgewerkt. De Europese Commissie heeft in 2010 een consultatie [55] gedaan over de indirecte landgebruiksverandering.
4. Wanneer moet een berekening uitgevoerd worden?
Biobrandstoffen, die meetellen voor de nationale doelstellingen, moeten voldoen aan een aantal duurzaamheidscriteria. De minimale broeikasgasreducties bij gebruik van biobrandstoffen moet 35% bedragen. Vanaf 2017, wordt dit 50%, en vanaf 2018 geldt voor nieuwe installaties een reductie van 60%.
Bijlage V van de richtlijn hernieuwbare energie geeft standaardwaarden voor broeikasgasemissiereductie van 22 productieketens van biobrandstoffen. Deze standaardwaarden mogen worden gebruikt tenzij:
Voor biobrandstoffen waarvoor de default waarde niet mag worden gebruikt (zie twee punten hierboven) of voor andere productieketens waarvoor geen standaardwaarde in de richtlijn opgenomen is, moeten ondernemers hun eigen berekeningen doen volgens de methode in bijlage V.C. Ook voor de andere gevallen waarin defaultwaarden mogen worden gebruikt, mag ten alle tijde ook een eigen berekening worden gemaakt. De totale uitstoot van broeikasgassen in de eigen berekeningen bestaat uit de som van de emissies van de onderdelen uit de biobrandstofproductieketen: teelt, verwerking en transport. Voor eigen berekeningen aan één van de 22 productieketens in Annex V van de richtlijn mogen standaardwaarden van deze onderdelen (oftewel gedesaggregeerde standaardwaarden) gebruikt worden uit bijlage V.D van de richtlijn.
De tool biedt beperkte mogelijkheden voor het berekeningen van nieuwe ketens. In de tool kunnen wijzigingen van bestaande ketens met "Adapt Chain" uitgevoerd worden.
5. Hoe werkt de tool?
De werking van de BKG tool is als volgt:
6. Beheer van de BKG tool
Het beheer van de BKG tool wordt uitgevoerd door Agentschap NL.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Simone te Buck via gave@agentschapnl.nl [32].
Inleiding
Het gebruik van biomassa als energiebron maakt deel uit van de transitie naar een duurzame energievoorziening. Het grootschalige gebruik van biomassa kan echter negatieve effecten hebben op biodiversiteit, de positie van de armen en voedselvoorziening, terwijl ook de klimaateffecten negatief kunnen zijn. De duurzaamheid van biomassa en biobrandstoffen is daarom een randvoorwaarde van de Nederlandse ambitie om de inzet van bioenergie te bevorderen.
Hieronder wordt de ontwikkeling van het duurzaamheidsbeleid voor biomassa en biobrandstoffen in Nederland uiteengezet, evenals de wereldwijde ontwikkeling van duurzaamheidssystemen ('voluntary schemes') voor biobrandstoffen. Er wordt ook in het kort aandacht besteed aan de (duurzaamheids)eisen die worden gesteld aan biobrandstoffen binnen de Nederlandse regelgeving en de rol van duurzaamheidssystemen hierbij. Meer informatie over dit onderwerp vindt u op de website van de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) [57].
Ontwikkeling van duurzaamheidsbeleid voor biomassa in Nederland
Commissie Cramer en Commissie Corbey
Ter voorbereiding van beleidsontwikkeling op dit gebied heeft de Nederlandse overheid advies gevraagd over duurzaamheidscriteria voor biomassa aan de onafhankelijke projectgroep Duurzame productie van biomassa, onder voorzitterschap van Jacqueline Cramer. Met de publicatie van het rapport [58]van deze commissie (juli 2006) zijn in Nederland breed gedragen duurzaamheidscriteria beschikbaar gekomen voor de productie en bewerking van biomassa in energie, brandstoffen en chemie. Deze criteria hebben betrekking op de volgende zes thema's: broeikasgasemissies, concurrentie met voedsel, biodiversiteit, milieu, welvaart en welzijn. Een belangrijk deel van deze duurzaamheidscriteria voor biomassa is door de Europese Commissie overgenomen in de Europese richtlijn hernieuwbare energie (28/2009/EG). In februari 2007 bracht de Commissie Cramer haar eindrapport Toetsingskader voor duurzame biomassa [59] uit.
Voortbouwend op het eerdere werk van de Commissie Cramer, op 29 juni 2009 de Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa (CDB) [60] ingesteld, onder voorzitterschap van Dorette Corbey. De commissie heeft als belangrijkste taken de regering gevraagd en ongevraagd te adviseren over duurzaamheid bij de productie en gebruik van biomassa en het bieden van een forum voor maatschappelijke discussie. Achtergrond is de Europese richtlijn hernieuwbare energie (Renewable Energy Directive) die de lidstaten verplicht tot 20 procent hernieuwbare energie (gemiddeld over de lidstaten) en 10 procent hernieuwbare transportbrandstoffen in 2020. De Commissie Corbey heeft in november 2009 haar eerste drie adviezen uitgebracht, waarin zij zich sterk maakt voor de transparantie over de duurzaamheidskarakterstieken voor biobrandstoffen, een 'level playing field' met betrekking tot duurzaamheidscriteria voor diverse (energie)toepassingen van biomassa en innovatie in de teelt van biomassa en gebruik van reststromen. In haar vierde advies in februari 2010, adviseert de Commissie Corbey om vanwege de risico's die de inzet van biobrandstoffen met zich meebrengt niet nu de doelstelling voor 2020 hoger in te zetten dan de minimale 10 procent maar om prioriteit te geven aan het investeren in de kwaliteit en de duurzaamheid van de in te zetten biomassa. Verder adviseert de Commissie Corbey om het beleid in 2014 te actualiseren en eventueel dan de doelstelling voor 2020 te verhogen, afhankelijk van de ontwikkeling van duurzaamheidskaders en geavanceerde technologieën. In haar vijfde advies pleit de Commissie Corbey ervoor dat Nederland op nationaal niveau duurzaamheidscriteria vast te stellen moet vaststellen voor biomassa voor elektriciteits- en warmteproductie, met als basis de Europese duurzaamheidscriteria voor biobrandstoffen en met als uiteindelijk doel Europees beleid op dit gebied. Op 4 mei 2010 hebben de Ministers van VROM en LNV in de vorm van een brief aan de Tweede Kamer ILUC [61] gereageerd op het advies dat de Commissie Corbey in november 2009 heeft uitgebracht aan de regering over indirecte veranderingen van landgebruik (Indirect Land Use Change - ILUC) als gevolg van onder andere de productie van biobrandstoffen.
Hoofdpunten duurzaamheidsbeleid biomassa 2008-2011
In 2008 hebben de ministers Cramer en Koenders, van respectievelijk VROM en Ontwikkelingssamenwerking, aangegeven in een brief [62] aan de Tweede Kamer hoe ze in de periode 2008 - 2011 invulling denken te geven aan het duurzaamheidsbeleid. Biobrandstoffen maken deel uit van dat beleid. Daarbij is het voornemen om duurzaam geproduceerde biobrandstoffen bij te laten dragen aan een duurzame energiehuishouding. Inzet is verduurzaming van de productie van biobrandstoffen en versterkte internationale samenwerking op dit terrein, opdat alle biobrandstoffen op de internationale markten duurzaam worden geproduceerd. Het beleid moet de komende jaren de volgende resultaten hebben:
Bovenstaande beleidspunten hebben onder andere geresulteerd in het opzetten van de Agentschap NL-programma's Duurzame Biomassa Mondiaal en Duurzame Biomassa Import [63]. Bovendien zijn in 2011 de Europese duurzaamheidscriteria uit de Richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG) van het EU biobrandstoffenbeleid [35] geimplementeerd in Nederlands beleid biobrandstoffen [64] in 2011.
Duurzaamheidssystemen voor biobrandstoffen
Wereldwijde ontwikkeling van duurzaamheidssystemen voor biomassa
Wereldwijd zijn de afgelopen jaren vele initiatieven gestart om duurzaamheidssystemen, ook wel aangeduid als 'voluntary schemes', te ontwikkelen voor biomassa en biobrandstoffen. Over het algemeen gaat het om certificeringssystemen, maar er zijn ook systemen die gebruik maken van ex-post verificatie of die alleen betrekking hebben op de traceerbaarheid ('chain of custody'). Duurzaamheidssystemen hoeven niet noodzakelijk te zijn ontwikkeld met het oog op duurzaamheid van biobrandstoffen. Ze kunnen ook ontwikkeld zijn voor een bepaald gewas zonder een specifieke toepassing voor ogen, zoals voedsel of energie. Veel van deze systemen zijn ontwikkeld door roundtables of consortia, zoals Roundtable on Sustainable Palm Oil (RSPO), Roundtable on Responsible Soy (RTRS), Bonsucro (het voormalige Better Sugarcane Initiative), Roundtable on Sustainable Biofuels (RSB) en het Duitse International Sustainability and Carbon Certification (ISCC) systeem. Ook zijn er diverse bedrijven die een eigen systeem hebben ontwikkeld, waaronder de biobrandstofproducenten Abengoa en Nesté Oil.
NTA 8080/8081
In Nederland is de Nederlands Technische Afspraak (NTA) 8080 Duurzaamheidscriteria voor duurzame biomassa ten behoeve van energiedoeleinden [65] ontwikkeld om certificering van duurzaam geproduceerde biomassa voor energietoepassingen mogelijk te maken. De NTA 8080 omvat een uitwerking van de duurzaamheidscriteria zoals vastgesteld door de Commissie Cramer en heeft betrekking op zowel vaste en vloeibare als gasvormige biomassa. In de NTA 8081 Certificatieschema voor duurzaam geproduceerde biomassa ten behoeve van energiedoeleinden [66] zijn de regels om te kunnen worden gecertificeerd tegen de eisen uit de NTA 8080 vastgelegd. De NTA 8080/8081 is bedoeld om te worden toegepast bij organisaties die biomassa voor energietoepassingen willen produceren, verwerken, verhandelen of inzetten en daarbij willen aantonen dat de biomassa duurzaam geproduceerd is.
Rapportage over duurzaamheid van biobrandstoffen
In Nederland zijn bedrijven in 2010 begonnen met het rapporteren over duurzaamheidskarakteristieken van biobrandstoffen. De aanleiding hiervoor was de Intentieverklaring rapportage biobrandstoffen [67], die de Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (VNPI), de Nederlandse Organisatie voor de Energiebranche (NOVE), het Productschap Margarine, Vetten en Oliën (MVO) en de Minister van VROM hebben ondertekend op 25 mei 2010. Het doel hiervan was om vooruitlopend op de wettelijke implementatie van de Richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG) middels vrijwillige inspanning al in 2010 te rapporteren over de aard, herkomst en duurzaamheid van de in Nederland op de markt gebrachte biobrandstoffen. Op 29 maart 2011 is de rapportage over geheel 2010 [68], die is opgesteld door de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa), door de staatsecretaris naar de Tweede Kamer gestuurd. In deze rapportage is te lezen dat bedrijven hebben gerapporteerd over de duurzaamheidskenmerken van ongeveer tweederde van het volume biobrandstoffen dat nodig is om de doelstelling van 2010 te realiseren. Verder laat het rapport zien welke duurzaamheidssystemen bedrijven hebben gebruikt om de duurzaamheid van biobrandstoffen aan te tonen.
Duurzaamheidssystemen binnen de Nederlandse regelgeving voor biobrandstoffen
Volgens de Nederlandse biobrandstoffenregelgeving [64], die op 1 januari 2011 in werking is getreden, mogen alleen duurzaamheidssystemen die zijn erkend door de Europese Commissie of zijn geaccepteerd door de Nederlandse overheid door bedrijven worden gebruikt om de duurzaamheid van biobrandstoffen aan te tonen. De Europese Commissie beoordeelt momenteel duurzaamheidssystemen die zijn voorgelegd voor erkenning. Daarnaast heeft de Nederlandse overheid een procedure vastgesteld voor nationale acceptatie van duurzaamheidssystemen. Deze is vastgelegd in het Nederlands toetsingsprotocol voor duurzaamheidssystemen voor biobrandstoffen [69]. Actuele informatie over de door de Europese Commissie erkende en door de Nederlandse overheid geaccepteerde duurzaamheidssystemen vindt u op de NEa website [70].
Europese richtlijn biobrandstoffen (2003/30/EG)
De Europese biobrandstoffenrichtlijn [34] uit 2003 verplicht lidstaten om zich in te spannen om biobrandstoffen voor het wegverkeer op de markt te krijgen. Steun aan de landbouw, bevorderen van de energievoorzieningszekerheid en broeikasgasemissiereductie waren aanleiding in de Europese Unie voor dit initiatief. Volgens deze richtlijn moest in 2005 2 procent van de energie-inhoud van fossiele brandstoffen uit biobrandstoffen bestaan, oplopend tot 5,75 procent in 2010. Deze percentages zijn streefwaarden dus lidstaten waren niet verplicht ze over te nemen. Om de doelstellingen te realiseren konden lidstaten gebruik maken van meerdere opties, namelijk bijmengen van kleine hoeveelheden biobrandstof bij fossiele brandstoffen in de vorm van lage blends en het op de markt brengen van hogere blends (bijvoorbeeld bio-ethanol in de vorm van E85) of pure biobrandstoffen (bijvoorbeeld pure biodiesel, B100). Bijmengen in lage percentages heeft als voordeel dat deze mengsels in gewone benzine- en dieselauto's kunnen worden gebruikt.
Op 25 juni 2009 is de Europese richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG) in werking getreden. Met de implementatie van deze richtlijn in de EU lidstaten wordt de Biobrandstoffenrichtlijn (2003/30/EG) ingetrokken met ingang van 1 januari 2012.
Europese richtlijn hernieuwbare energie (Renewable Energy Directive, 2009/28/EG)
Op 25 juni 2009 is de Europese richtlijn ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen [33], oftewel de Renewable Energy Directive (RED, 2009/28/EG) in werking getreden. Deze richtlijn schrijft voor dat in 2020 in de Europese Unie als geheel minimaal 20 procent van het energiegebruik moet bestaan uit hernieuwbare bronnen. De richtlijn moet uiterlijk 31 december 2010 geïmplementeerd zijn in de nationale wetgeving van de Europese lidstaten. Elke lidstaat stelt hiertoe een nationaal actieplan voor energie uit hernieuwbare bronnen vast. Hierin moeten de nationale algemene streefcijfers van de lidstaten voor het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen verbruikt in vervoer, elektriciteit, verwarming en koeling in 2020 zijn vermeld. Deze algemene nationale doelstellingen verschillen per lidstaat (zie Bijlage I, deel A van de richtlijn). Voor Nederland is het nationale algemene streefcijfer 14 procent. De lidstaten moeten in hun nationale actieplannen ook aangeven welke maatregelen zijn/worden genomen om deze doelstellingen te behalen. Met de implementatie van de Europese richtlijn hernieuwbare energie worden zowel de Duurzame elektriciteitsrichtlijn uit 2001 (2001/77/EG) en de Biobrandstoffenrichtlijn uit 2003 (2003/30/EG) ingetrokken met ingang van 1 januari 2012.
De richtlijn hernieuwbare energie schrijft voor de sector verkeer en vervoer een specifieke doelstelling voor, namelijk dat in 2020 minimaal 10 procent van alle transportbrandstoffen (benzine, diesel, biobrandstoffen in weg- en railvervoer en elektriciteit) uit hernieuwbare bronnen moet komen. Het kan hierbij gaan om biobrandstoffen (bijvoorbeeld biodiesel en bio-ethanol) maar ook hernieuwbare elektriciteit en waterstof tellen mee voor de doelstelling. Brandstofmengsels met een aandeel biobrandstof hoger dan 10 volume-procent moeten een apart label krijgen op verkooppunten.
Biobrandstoffen op basis van afval, reststromen, non-food cellulose materiaal en ligno-cellulose tellen dubbel mee voor de nationale doelstelling en/of de verplichting voor biobrandstoffen (Art 21, 2), en de (hernieuwbare) energie die wordt verbruikt door elektrische voertuigen telt 2,5 maal bij het voldoen aan de doelstelling in de richtlijn.
Om biobrandstoffen mee te mogen tellen voor de doelstelling moeten deze aan bepaalde duurzaamheidseisen voldoen. Dit geldt ook voor het mogen meetellen van biobrandstoffen voor een biobrandstoffenverplichting (zoals in Nederland) en voor het in aanmerking laten komen van biobrandstoffen voor financiële steun. Deze duurzaamheidseisen zijn van toepassing op zowel biobrandstoffen als op vloeibare biomassa die gebruikt wordt voor elektriciteit- of warmteproductie.
Zo moet de reductie van broeikasgasemissies, gemeten over de gehele keten van productie van grondstof tot eindgebruik en ten opzichte van fossiele brandstoffen, tenminste 35 procent zijn. Deze eis is van toepassing op alle installaties die na 23 januari 2008 operationeel worden of zijn geworden. Voor installaties die voor deze datum opgeleverd zijn, geldt de minimumeis pas vanaf 1 april 2013. Met ingang van 1 januari 2017 wordt de eis met betrekking tot broeikasgasemissiereductie aangescherpt tot minimaal 50 procent. Vanaf 1 januari 2018 wordt dit minstens 60 procent voor installaties die op of na 1 januari 2017 operationeel zijn geworden. In de richtlijn schrijft de Europese Commissie voor hoe de broeikasgasemissiereductie van biobrandstoffen (en vloeibare biomassa) moet worden bepaald (zie Artikel 19 en Bijlage V). Men kan gebruik maken van de standaardwaarden, of feitelijke waarden gebruiken mits deze worden berekend volgens de methodologie beschreven in de richtlijn. Een combinatie van feitelijke waarden en standaardwaarden per processtap is eveneens toegestaan. De totale broeikasgasemissies moeten worden uitgedrukt in gram CO2-equivalenten per Megajoule biobrandstof (gCO2-eq/MJ). Wanneer een productieproces naast biobrandstoffen ook co-producten oplevert, dan moeten de broeikasgasemissies van het gehele proces aan de diverse producten worden toegerekend (allocatie) op basis van hun energie-inhoud (Lower Heating Value). In de richtlijn worden enkele co-producten genoemd waarvan de energie-inhoud ten behoeve van de berekening op nul wordt gesteld en die dus niet meegenomen hoeven te worden in de berekening.
Naast de eisen met betrekking tot broeikasgasreductie, moeten biobrandstoffen (en vloeibare biomassa) aan enkele andere duurzaamheidseisen voldoen. De biomassa mag niet afkomstig zijn van land met een hoge biodiversiteitswaarde zoals oerbos, beschermde natuurgebieden en graslanden met een grote biodiversiteit. Ook mag de biomassa niet geproduceerd zijn op land met hoge koolstofvoorraden, zoals waterrijke gebieden en permanent beboste gebieden. Dit geldt ook voor veengebied, tenzij aangetoond wordt dat de biomassaproductie niet leidt tot ontwatering van voorheen niet-ontwaterde bodem. Voor bovenstaande is de status van gronden in januari 2008 bepalend. Er wordt een rapportageverplichting ingevoerd voor bedrijven over andere milieueffecten, zoals bodem, water en lucht. Ook wordt gerapporteerd over het herstel van verarmde gronden, sociale aspecten, voedselprijzen en landgebruiksrechten. Dit laatste is belangrijk voor inheemse bevolkingsgroepen. Indirecte effecten of verdringingseffecten die kunnen optreden als gevolg van het gebruik van biobrandstoffen worden eveneens behandeld in de richtlijn. De Europese Commissie zal elke twee jaar een rapportage uitbrengen over deze aspecten. Die rapportage zal bijvoorbeeld gaan over de methode om indirecte effecten in kaart te brengen. Daarnaast worden de gevolgen voor de voedselprijzen en voedselzekerheid duidelijk gemaakt. In 2014 wordt een eerste evaluatie gehouden.
Europese richtlijn brandstofkwaliteit (Fuel Quality Directive, 30/2009/EG)
Op 23 april 2009 is de nieuwe Europese richtlijn brandstofkwaliteit, Fuel Quality Directive (FQD, 2009/30/EG) [71] gepubliceerd. Het doel van deze richtlijn is het reduceren van de belangrijkste vervuilende emissies tijdens de productie en het gebruik van brandstoffen. Ook moet de richtlijn een bijdrage leveren aan het realiseren van de Europese reductiedoelstelling voor broeikasgasemissies van 20 procent in 2020. De Brandstofkwaliteitsrichtlijn schrijft voor dat vanaf 1 januari 2011 brandstofleveranciers jaarlijks moeten gaan rapporteren over de broeikasgasintensiteit van de door hen verkochte brandstoffen en energie. Met broeikasgasintensiteit wordt bedoeld de hoeveelheid broeikasgasemissies over de gehele levenscyclus van de brandstof, per eenheid energie. Verder moeten de Europese lidstaten brandstofleveranciers ertoe verplichten om stapsgewijs de broeikasgasintensiteit van de geleverde brandstoffen te reduceren met maximaal 10 procent voor 31 december 2020. De vermindering van de broeikasgasintensiteit moet uiterlijk op deze datum ten minste 6 procent bedragen ten opzichte van het in 2010 gerapporteerde Europese gemiddelde broeikasgasintensiteit van fossiele brandstoffen. Deze doelstelling moet worden gerealiseerd door middel van het gebruik van biobrandstoffen, alternatieve brandstoffen en de vermindering van het affakkelen en ontluchten in olieproductie-installaties. Dit percentage kan bij de herziening in 2014, onder meer afhankelijk van de grootschalige beschiikbaarheid van technieken zoals elektrisch vervoer en koolstofvastlegging (CCS), verhoogd worden tot 10 procent in 2020.
Biobrandstoffen mogen alleen worden meegeteld voor de doelstelling als zij aan de duurzaamheidscriteria in de richtlijn voldoen. Deze zijn hettzelfde als de duurzaamheidscriteria in de Europese richtlijn hernieuwbare energie (2009/28/EG). De berekening van de broeikasgasemissiereductie van biobrandstoffen gebeurt ook op dezelfde wijze.
Naast broeikasgasemissiereductie- en duurzaamheidseisen bevat de Brandstofkwaliteitsrichtlijn ook technische specificaties voor transportbrandstoffen en houdt daarmee een wijziging in van de Brandstofkwaliteitsrichtlijn (98/70/EG) uit 1998 [72]. Met deze richtlijn wordt het mogelijk om hogere percentages biobrandstof bij te mengen in standaardbenzine of -diesel. Voor benzine geldt dat maximaal 10 volume-procent ethanol (E10) en maximaal 22 volume-procent ETBE bijgemengd mag worden. De richtlijn bevat ook maximale gehaltes voor enkele andere alcoholen (zie Annex I). Voor bijmenging van ethanol stelt de richtlijn dat benzine met 5 volume-procent (E5) tenminste tot 2013 beschikbaar moet blijven in verband met bestaande auto’s, die geen garantie hebben om benzine te gebruiken met een hoger biobrandstofgehalte. Standaarddiesel mag volgens de nieuwe richtlijn maximaal 7 volume-procent biodiesel (FAME) bevatten, mits de biodiesel voldoet aan de FAME norm EN 14214. Dit percentage is hoger dan in de huidige dieselnorm EN590, waarin het maximale gehalte 5 volume-procent bedraagt. De Europese Commissie moedigt het Europese Commitee voor Standaardisatie (CEN) aan om te blijven werken aan een norm om hogere gehaltes biobrandstof in diesel te mogen mengen, met name voor B10.
Besluit biobrandstoffen wegverkeer
Naar aanleiding van de Europese biobrandstoffenrichtlijn uit 2003 (2003/30/EG, zie EU beleid biobrandstoffen [35]) is in Nederland wetgeving geïntroduceerd om het gebruik van biobrandstoffen te stimuleren. In 2006 werd een gedeeltelijke accijnsvrijstelling voor biobrandstoffen ingevoerd. Sinds 1 januari 2007 zijn bedrijven, die benzine en diesel op de Nederlandse markt brengen, verplicht om een bepaald percentage (op energiebasis) van hun afzet in de vorm van biobrandstof te leveren. In 2007 was de doelstelling 2% procent en dit moest geleidelijk oplopen naar 5,75 procent in 2010. Het Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007 - versie 18 november 2009 [73] waarin dit wettelijk is geregeld, is in het Staatsblad gepubliceerd. Deze versie bevat een aantal wijzigingen ten opzichte van de eerste publicatie. In de eerste publicatie [74] vindt u ook de toelichting op de regeling.
De verplichting tot de levering van biobrandstof is geen bijmengverplichting, maar een verplichting op macroniveau. De zogeheten vergunninghouders (accijnsgoederenplaatsen) die benzine en diesel op de markt brengen, zijn verplicht een bepaald marktaandeel in de vorm van biobrandstoffen te realiseren. De hoeveelheid biobrandstoffen in benzine en diesel mag daarbij per locatie en per tijdstip variëren. Ook pure biobrandstoffen tellen mee, als het verplichte marktaandeel maar wordt gehaald. Leveranciers van benzine en diesel kunnen aan de biobrandstofverplichting voldoen door zelf biobrandstoffen op de markt te brengen, maar ook door op de markt gebrachte biobrandstoffen van anderen in te kopen. Dit administratief verhandelen van biobrandstoffen vindt plaats in de vorm van zogenaamde biotickets [75].
Biobrandstofdoelstellingen 2007-2010
Als gevolg van de invoering van het biobrandstoffenbeleid is het aandeel biobrandstoffen in de Nederlandse markt voor transportbrandstoffen is de afgelopen jaren sterk gegroeid. In 2005 was het aandeel biobrandstoffen nog maar 0,02 procent. Als gevolg van de gedeeltelijke accijnsvrijstelling in 2006 steeg het aandeel biobrandstoffen in dat jaar naar 0,4 procent. Het verplichte percentage van 2% in 2007 werd gerealiseerd. In 2008 bedroeg het aandeel biobrandstoffen 3,26 procent, waarmee de doelstelling voor 2008 van 3,25 procent werd behaald. Als gevolg van de discussie over de duurzaamheid van biobrandstoffen werden in oktober 2008 de doelstellinge voor 2009 verlaagd van 4,5 naar 3,75 procent. De doelstelling voor 2010 werd neerwaarts bijgesteld van 5,75 naar 4 procent. Uitleg hiervoor wordt gegeven in de brief aan de Tweede Kamer [76] van 13 oktober 2008. De doelstelling van 3,75% in 2009 is gerealiseerd, zo blijkt uit de "Rapportage 2009 ingevolge richtlijn 2003/30/EG [77]".
Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer
Op 13 december 2006 werd de Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer [78] gepubliceerd met nadere eisen aan de administratie met betrekking tot de verkoop van biobrandstoffen zoals bedoeld in het hierboven beschreven Besluit biobrandstoffen wegverkeer 2007. In de eerste publicatie [74] van dit Besluit vindt u ook de toelichting op de regeling. De regeling schreef voor dat voor 1 april van elk jaar een vergunninghouder aan VROM diende te rapporteren over het nakomen van de verplichting van het jaar ervoor. De handhaving van het Besluit en de Regeling, zoals controle op de administratie, werd uitgevoerd door het Inspectoraat-Generaal VROM (VROM-inspectie) op basis van de Wet milieugevaarlijke stoffen. De Regeling administratie biobrandstoffen wegverkeer [78] is op 8 februari 2010 aangepast om het voor verplichte partijen mogelijk te maken om naast de biobrandstoffen die in de Regeling worden genoemd, ook andere biobrandstoffen (toegevoegde categorie "Overige geleverde biobrandstoffen") mee te laten tellen voor de verplichting.
Dubbeltelling betere biobrandstoffen
Begin 2008 heeft de Tweede Kamer in de Motie Spies gevraagd om biobrandstoffen van een 2e en volgende generatie zwaarder te laten wegen onder de biobrandstoffenverplichting met als doel stimulering van duurzamere biobrandstoffen. Naar aanleiding hiervan is eind 2009 de Regeling dubbeltelling betere biobrandstoffen [73] in werking getreden, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2009 (zie Dubbeltelling [42]). Op basis van deze regeling kunnen bedrijven die benzine of diesel op de Nederlandse markt brengen bepaalde biobrandstoffen dubbeltellen bij de invulling van hun biobrandstoffenverplichting. De regeling, die in vergelijkbare vorm wordt voorgezet in de nieuwe wetgeving vanaf 2011, is van toepassing op biobrandstoffen die zijn geproduceerd uit afval, residuen en lignocellulose materiaal en die een broeikasgasemissiereductie realiseren van minimaal 35 procent.
Gave Studies
Kamerstukken
Wet- en regelgeving
Europese Commissie
Heeft u een vraag over Gasvormige en Vloeibare klimaatneutrale Energiedragers (GAVE)? Het telefoonnummer van GAVE is (088) 602 77 70. Een e-mail versturen met u vraag over GAVE kan ook: gave@agentschapnl.nl [134].
Links:
[1] http://www.agentschapnl.nl/formulieren/aanafmelden-nieuwsbrief-gave
[2] http://www.sn-gave.nl/voorbeeld_all.asp
[3] http://www.agentschapnl.nl/en/programmas-regelingen/gave-climate-neutral-gaseous-and-liquid-energy-carriers
[4] http://www.agentschapnl.nl/content/nieuwsarchief-gave
[5] http://www.autozine.nl/nieuws/nieuws_archief.php?nk=11312
[6] http://www.euronext.com/news/companypressrelease/companypressrelease.jsp?docid=1085453&lan=NL&stockNews=true&cha=1721
[7] http://www.sciencemag.org/content/335/6066/308
[8] http://www.schuttevaer.nl/nieuws/techniek/nid17037-maersk-test-algendiesel.html
[9] http://gave.novem.nl/gave/%20http:/www.carbonrecycling.is/index.php?option=com_content&view=article&id=29%3Ainnovation-in-its-purest-form&catid=2&Itemid=6&lang=en
[10] http://www.lanzatech.co.nz/content/lanzatech-process
[11] http://www.technischweekblad.nl/uitgelicht/carrousel-tw/biogas-uit-sloophout.227130.lynkx
[12] http://www.spectroscopynow.com/coi/cda/detail.cda?id=26630&type=Feature&chId=1&page=1
[13] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_januari_2012.pdf
[14] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_december_2011.pdf
[15] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_november_2011.pdf
[16] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_oktober_2011_0.pdf
[17] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_september_2011.pdf
[18] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_augustus_2010.pdf
[19] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_juli_2011_0.pdf
[20] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_juni_2011_2.pdf
[21] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_mei_2011.pdf
[22] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_april_2011_0.pdf
[23] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_maart_2011.pdf
[24] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_februari_2011.pdf
[25] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_januari_2011_0.pdf
[26] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_december_2010_0.pdf
[27] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_november_2010_2.pdf
[28] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_oktober_2010_0.pdf
[29] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_september_2010_0.pdf
[30] http://www.agentschapnl.nl/sites/default/files/bijlagen/Nieuws_Gave_augustus_2010_0.pdf
[31] http://www.sn-gave.nl/voorbeeld.asp?shwfrm=yes
[32] mailto:gave@agentschapnl.nl
[33] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32009L0028:NL:NOT
[34] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32003L0030:NL:NOT
[35] http://www.agentschapnl.nl/programmas-regelingen/eu-beleid-biobrandstoffen
[36] http://www.emissieautoriteit.nl/homepage/biobrandstoffen
[37] http://www.emissieautoriteit.nl/
[38] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2011-197.html
[39] https://www.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2011-8235.html
[40] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2011-192.html
[41] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2011-7532.html
[42] http://www.agentschapnl.nl/programmas-regelingen/dubbeltelling-betere-biobrandstoffen
[43] http://www.agentschapnl.nl/programmas-regelingen/nederlands-beleid-biobrandstoffen-2006-2010
[44] http://www.emissieautoriteit.nl/mediatheek/biobrandstoffen/Toetsingsprotocol_publiekeversie_1.1_NL.pdf
[45] http://www.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2011-8235.html
[46] http://www.agentschapnl.nl/content/verificatieprotocol-dubbeltelling-betere-biobrandstoffen
[47] http://www.agentschapnl.nl/content/rapport-verificatie-dubbeltelling-betere-biobrandstoffen-achtergrondrapport-bij-verificatiep
[48] mailto:gave@agentschapnl.nl?subject=dubbeltelling biobrandstoffen
[49] http://www.agentschapnl.nl/content/bkg-tool-gave
[50] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2009:140:0088:0113:NL:PDF
[51] http://www.agentschapnl.nl/programmas-regelingen/co2-tool
[52] http://ies.jrc.ec.europa.eu/WTW
[53] http://www.biograce.net/
[54] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2010:151:0019:0041:EN:PDF
[55] http://ec.europa.eu/energy/renewables/consultations/2010_10_31_iluc_and_biofuels_en.htm
[56] http://ec.europa.eu/energy/renewables/transparency_platform/emissions_en.htm
[57] https://www.emissieautoriteit.nl/biobrandstoffen/duurzaamheid-1
[58] http://www.agentschapnl.nl/content/cramer-eindrapport-juli-2006
[59] http://www.agentschapnl.nl/content/cramertoetsingskader2007nl
[60] http://www.corbey.nl/
[61] http://www.agentschapnl.nl/content/brief-aan-de-tweede-kamer-iluc
[62] http://www.agentschapnl.nl/content/tkbriefduurzaamheiddgmbrem2008050615
[63] http://regelingen.agentschapnl.nl/content/sustainable-biomass
[64] http://www.agentschapnl.nl/programmas-regelingen/nederlands-beleid-biobrandstoffen
[65] http://www.duurzame-biomassa.org/publicaties/3938
[66] http://www.duurzame-biomassa.org/doorways/1132
[67] http://www.agentschapnl.nl/content/intentieverklaring-rapportage-biobrandstoffen
[68] http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2011/03/29/toezending-rapportage-duurzaamheid-biobrandstoffen-2010.html
[69] https://www.emissieautoriteit.nl/mediatheek/biobrandstoffen/Toetsingsprotocol_publiekeversie_1.1_NL.pdf
[70] https://www.emissieautoriteit.nl/biobrandstoffen/duurzaamheid-1/acceptatie
[71] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:32009L0030:NL:NOT
[72] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CELEX:31998L0070:NL:NOT
[73] http://www.agentschapnl.nl/content/besluit-biobrandstoffen-wegverkeer-2007-versie-18-november-2009
[74] http://www.agentschapnl.nl/content/besluit-biobrandstoffen-wegverkeer-2007
[75] http://www.agentschapnl.nl/content/biotickets-het-administratief-verhandelen-van-biobrandstoffen
[76] http://www.agentschapnl.nl/content/brieftkbiobrandstoffendoelstellingen-2008
[77] http://www.agentschapnl.nl/content/rapportage-2009-ingevolge-richtlijn-200330eg
[78] http://www.agentschapnl.nl/content/regeling-administratie-biobrandstoffen-wegverkeer
[79] http://www.agentschapnl.nl/content/rapportage-duurzaamheid-biobrandstoffen-2010
[80] http://www.agentschapnl.nl/content/rapportage-duurzaamheid-biobrandstoffen-2010-rapportage-2-januari-tm-september-2010
[81] http://www.agentschapnl.nl/content/presentatie-regeling-dubbeltelling-biobrandstoffen
[82] http://www.agentschapnl.nl/content/rapport-nieuwe-grondstoffen-voor-biobrandstoffen-alternatieve-1e-generatie-energiegewassen-g
[83] http://www.agentschapnl.nl/content/rapport-technical-specification-greenhouse-gas-calculator-biofuels-version-21b-gave-08-01
[84] http://www.agentschapnl.nl/content/rapport-impact-biofuels-air-pollutant-emissions-road-vehicles-tno-08-06
[85] http://www.agentschapnl.nl/content/quickscan-kansen-op-het-gebied-van-biobrandstoffen-met-nadruk-op-agrosector-wur-06
[86] http://www.agentschapnl.nl/content/report-strategy-climate-neutral-fuels-recommendations-dutch-ministry-housing-spatial-plannin
[87] http://www.agentschapnl.nl/content/rapport-ecofys-adviesverplichting-duurzaamheidscriteria-en-ondersteuning-door-certificaten-2
[88] http://www.agentschapnl.nl/content/report-participative-lca-biofuels-2gave-05-08
[89] http://www.agentschapnl.nl/content/report-biofuels-production-htu-and-pyrolysis-2gave-05-07
[90] http://www.agentschapnl.nl/content/report-road-pure-plant-oil-gave
[91] http://www.agentschapnl.nl/content/report-biofuels-dutch-market-fact-finding-study-2gave0312
[92] http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2008/10/13/biobrandstoffendoelstellingen-kamerbrief.html
[93] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-30196-104.html
[94] http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2008/08/14/kamerbrief.html
[95] http://www.rijksoverheid.nl/zoeken?search-keyword=DGM%2FBREM2008050615
[96] http://wetten.overheid.nl/BWBR0020446/geldigheidsdatum_24-04-2009
[97] http://wetten.overheid.nl/BWBR0020666/geldigheidsdatum_24-04-2009
[98] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2009-18709.html
[99] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2009-416.html
[100] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=CONSLEG:1998L0070:20031120:NL:PDF
[101] http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2003:123:0042:0046:NL:PDF
[102] http://www.agentschapnl.nl/programmas-regelingen/financi%C3%ABle-steun-1
[103] http://www.antwoordvoorbedrijven.nl/zoekresultaat/subsidies?gclid=CK3Pqr-q16UCFUaIDgodDRNYkg
[104] http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/biobrandstoffen
[105] http://www.iea.org/
[106] http://www.task39.org/
[107] http://ec.europa.eu/energy/renewables/biofuels/biofuels_en.htm
[108] http://www.biofuel-cities.eu/
[109] http://www.fuelswitch.nl/
[110] http://www.platformschonevoertuigen.nl/
[111] http://www.groenopweg.nl/
[112] http://www.afdc.energy.gov/afdc/
[113] http://www.trendsetter-europe.org/
[114] http://www.hetnieuwerijden.nl/
[115] http://www.mindsinmotion.net/
[116] http://www.biofuels-news.com/
[117] http://www.mvo.nl/
[118] http://www.energietransitie.nl/themas/mobiliteit
[119] http://www.energietransitie.nl/platforms/groene-grondstoffen
[120] http://www.ebb-eu.org/
[121] http://www.epure.org/
[122] http://www.nppoa.nl/
[123] http://www.vnbi.nl/
[124] http://www.rspo.org/
[125] http://www.responsiblesoy.org/
[126] http://rsb.epfl.ch/
[127] http://energycenter.epfl.ch/
[128] http://www.infomil.nl/
[129] http://www.worldbioplants.com/
[130] http://www.biofuelstp.eu/
[131] http://www.mvo.nl/Kernactiviteiten/MarktonderzoekenStatistiek/DatabankPrijzen/tabid/227/language/nl-NL/Default.aspx
[132] http://www.bioenergywiki.net/Main_Page
[133] http://www.agentschapnl.nl/nl/programmas-regelingen/sustainable-biomass
[134] mailto:gave@agentschapnl.nl?subject=Ik heb een vraag over GAVE