Als het gaat om duurzaamheid, innovatie en internationaal

Ruimtevaartindustrie Frankrijk: onafhankelijkheid en innovatie

Aerospace Valley rond Toulouse en Bordeaux omvat 120.000 werknemers - een kwart van alle Europese werknemers in de ruimtevaartsector. 

Frankrijk hecht in de civiele ruimtevaart aan de onafhankelijkheid van Europa ten opzichte van de grootmachten.

Omdat het  “Dit om de technologische kennis te behouden die het continent nodig heeft om toekomstige uitdagingen op het gebied van onderzoek, veiligheid, economische ontwikkeling, ruimtelijke ordening en milieu het hoofd te kunnen bieden”(1). De Franse ruimtevaartindustrie neemt daarom een belangrijke positie in. Een groot deel van de Franse activiteiten betreft de ontwikkeling van satellieten en lanceerinstallaties, maar de diensten rond satellietgegevens krijgen ook meer belangstelling. 

Organisatie ruimtevaartbeleid

Ruimtevaart valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van hoger onderwijs en onderzoek, het Ministère de l’Enseignement Supérieur et de la Recherche, (MESR) van minister Valérie Pécresse. De uitvoering van het Franse ruimteonderzoek is vrijwel volledig in handen van het Centre National d’Études Spatiales (CNES), agentschap én technisch centrum. In 2011 viert deze partner in ESA en veel nationale ruimtevaartprojecten zijn vijftigste verjaardag.

In oktober 2010 kondigde Pécresse een verhoging van de overheidsbijdrage aan voor zowel CNES als ESA. In de praktijk is er 761 miljoen euro voor multilaterale programma’s, een verhoging van vijftien miljoen. Daarnaast gaat de ESA-bijdrage met zeventig miljoen euro omhoog. Frankrijk wil versneld zijn schuld aan de Europese ruimtevaartorganisatie aflossen. Om de synergie met de ESA te verhogen verhuist de Parijse CNES-directie ‘lanceerinrichtingen’ naar het ESA-kantoor in Parijs.
Uit het plan ‘investissements d’avenir’ (de grote staatslening) komt nog eens een bijdrage van vijfhonderd miljoen euro extra voor de Franse ruimtevaart. De helft hiervan is voor de ontwikkeling van de nieuwe Ariane 6 raket en de overige tweehonderdvijftig miljoen euro voor innovatieve satellieten, zoals de Surface Water Ocean Topography (SWOT), een samenwerking met NASA op het gebied van operationele oceanografie / hydrologie. Uit deze extra financiële injectie blijkt ook het belang dat Frankrijk hecht aan de ‘hardware productie’ voor de ruimtevaart.
Voor de periode 2011-2015 formuleerden het ministerie en CNES zeven centrale thema’s voor het onderzoek in de ruimtevaarttechnologie. Dit zijn onderzoek ten behoeve van de wetenschap, ten behoeve van aardobservatie, ten behoeve van de informatie- en communicatiewetenschappen, toegang tot de ruimte; orbittechnieken en technologische innovatie, algemene middelen (functioneren van het CNES zelf) en tot slot ontwikkeling van meteorologische satellieten.

Verwerking satellietgegevens

In vergelijking tot de Franse ‘hardware projecten’ staan de  diensten op basis van satellietgegevens een beetje in de schaduwer zijn tekenen dat deze sector zich in een groeiende belangstelling mag verheugen. Al in 2003 richtte een groep specialisten aan de Universiteit in Lille de werkgroep Pôle Icare op (Interactions Clouds Aerosols Radiations Etc), gericht op de verzameling van gegevens en verwerving van expertise op atmosferisch gebied. Zij verzamelen de satellietgegevens van de laatste veertig jaar. In 2009 vestigde het CLS (een samenwerking tussen CNES en maritiem centrum Ifremer) de Vigisat in Brest. De Vigisat was het eerste station dat direct satellietgegevens ontving en verwerkte voor kustbewaking met het oog op milieu, verkeer en bevissing. Een ander voorbeeld is in Toulouse te vinden: in juni 2010 vond voor de derde keer de internationale conferentie voor satelliettoepassingen plaats als onderdeel van de jaarlijkse Toulouse Space Show.

Daarnaast benoemde Minister Pécresse onlangs de projecten SWOT en Microcarb als belangwekkend voor de toekomst. Microcarb is een compacte en relatief goedkope microsatelliet voor aard- en oceaanobservatie die CO2-concentraties monitort. Het belang zit hem volgens Pécresse in het feit dat de gegevens bruikbaar zijn voor beheersing van de waterhuishouding respectievelijk de toekomstige CO2-gecentreerde samenleving (1).

Verwerking satellietgegevens

    Het CNES is op verschillende manieren betrokken bij vergaren en verwerken van satellietgegevens. Ten eerste werkt het mee aan de lancering van verschillende klimaatsatellieten; het betreft dan internationale samenwerking met de Verenigde Staten, India, Duitsland en Italië:

    • De eerdergenoemde SWOT-satelliet zal in 2016 gelanceerd worden;
    • Jason 3 (in samenwerking met de Verenigde Staten) voor oceaanobservatie.
    • Megha Tropiques (met India) is een minisatelliet voor onder andere bestudering van de watercyclus. Het project werd bezocht door President Sarkozy toen hij eind 2010 een handelsmissie naar India leidde.
    • Altika (eveneens in samenwerking met India), een oceanografische hoogtemeter.
    • Alphabus, een Europees project om het laadvermogen van satellieten te vergroten om aan de stijgende (communicatie)vraag tegemoet te komen.
    • Athana Fidus (een Frans/Italiaanse communicatiesatelliet).
    • Merlin (een Frans-Duitse samenwerking, lancering voorzien voor 2014). De ‘Methane Remote Sensing Lidar Mission’ zal methaangehaltes in de atmosfeer meten.
    Ten tweede is het CNES via het CLS betrokken bij het grote internationale programma MyOcean. MyOcean is een Europees project met 28 deelnemende landen en richt zich op maritieme veiligheid, maritieme grondstoffen, kustobservatie en voorspellingen op gebied van water, stromingen en weer. Namens Nederland neemt het KNMI hieraan deel.
    Binnen het CNES bestaat een organisatie met de naam Spheris, die tachtig bedrijven binnen de ruimtevaartsector verenigt. Vanuit deze groep richtten twee CNES-medewerkers in 2010 het Centre de Compétences Techniques Applications Spatiales (CCT App Sat) op, een technologiecentrum gericht op satelliettoepassingen. Het CCT App Sat ontstond vanuit de gedachte dat een binnenlands overzicht en bundeling van kennis en kunde op dit gebied ontbrak. De CCT App Sat richt zich op grondstoffen en duurzame ontwikkeling, transport, energie, gezondheid, veiligheid/risico/rampenbestrijding en publiekstoepassingen zoals teleservices, onderwijs en toerisme.

Onera, The French Aerospace Lab

Onera staat voor ‘Office national d'études et recherches aérospatiales’. Het doet (contract)onderzoek ter ondersteuning van innovatie en concurrentiekracht van de lucht-, ruimtevaart- en defensiesector. Onera werkt voor onder andere het CNES, ESA, het Franse ministerie van Defensie (DGA), EADS, Airbus, Eurocopter, Dassault en Thales. Op ruimtevaartgebied werkt Onera vooral aan de voorbereiding van missies. Men richt zich op onderzoek ten behoeve van de vlucht, terugkeer in de dampkring en autonomie van de systemen aan boord. Daarnaast bestudeert het de ruimte vanaf de aarde, ter voorspelling van gevaren vanuit de ruimte, ontwikkelt het wetenschappelijke middelen om de ruimte te bestuderen of om de aarde te bestuderen vanuit de ruimte. Tot slot draagt Onera bij aan de concurrentiekracht van Europese lanceerinrichtingen. Aardobservatie geschiedt vooral via SAR (radar) voor onderzoek aan milieu, oceanografie, landbouw, bosbouw en ijsdikte. Doppler radar wordt ingezet voor detectie van menselijke aanwezigheid en andere toepassingen binnen defensie en veiligheid.

Pôles de Compétitivité Ruimtevaart

In Frankrijk bestaan vier Pôles de Compétitivité (PdC) binnen de lucht- en ruimtevaart: Aerospace Valley, AsTech, Pégase en EMC2. Verreweg de grootste en de belangrijkste is Aerospace Valley, gevestigd in de Midi Pyrénées en Aquitaine, voornamelijk rond Toulouse en Bordeaux. Aerospace Valley omvat in totaal 120.000 werknemers, verdeeld over 1.400 bedrijven en instellingen. Dit is maar liefst een kwart van alle Europese werknemers in de ruimtevaartsector. De omgeving van Toulouse herbergt tachtig procent van alle Franse bedrijven die satellietgegevens verwerken (volgens eigen zeggen) (2). Onder de leden van Aerospace Valley bevinden zich onder andere onderzoeksinstituten als het CNES, Mercator Ocean, het INRIA en Onera. Daarnaast giganten als EADS Astrium Aquitaine, specialist op het gebied van lanceerinstallaties en ruimtelijke infrastructuur, EADS Astrium Toulouse, ontwerper en producent van satellieten en ruimtevaartsystemen, EADS Astrium Services (met onderdelen als Infoterra en Spot Image), Safran / Snecma Propulsion Solide (voortstuwing en lanceerders), SNPE Matériaux Energétiques / ROXEL en Thales Alenia Space, ontwerper en bouwer van satellieten en ruimtesystemen.

De PdC ASTech Paris Region is vooral gericht op ontwikkeling van de ‘hardware’ op ruimtevaartgebied. De vier belangrijkste markten waarop de clusterleden opereren zijn lanceerinrichtingen, zakelijke luchtvaart, voortstuwing en ruimtevaart instrumentarium. De leden van ASTech Paris Region besteden 43 procent van het Franse onderzoeksbudget voor luchtvaart en houden 28.000 onderzoekers aan het werk in tweehonderd bedrijven. Onder de leden bevinden zich Astrium ST, Dassault Aviation, Safran, SNPE, Goodrich en Thales, maar ook 34 onderzoeksinstituten zoals ONERA, CEA, CNES, CNRS. Zes van de leden zitten ook in andere Pôles de Compétitivité.

De Pôle Pégase is als regionaal cluster in de de regio Provence-Alpes-Côte d’Azur (PACA) gestart en in 2007 PdC geworden. De pôle telt belangrijke industriën onder zijn leden, zoals Eurocopter, Dassault, Thalès Alenia Space en Areva TA. Daarnaast onderzoeksinstituten Onera, Inria en Université Paul Cézanne Marseille. Pégase is een PdC gespecialiseerd op het gebied van luchtvaart en drones.
De Pôle EMC2 in de omgeving van Nantes is een materialencluster, met name actief op scheep- en luchtvaartgebied.

STAE 
 

Sciences et Technologies pour l'Aéronautique et l'Espace is een stichting die werd opgericht in 2007. Zij brengt de belangrijkste onderzoekers in de omgeving van Toulouse samen met als doel een ‘recherche scientifique d'excellence’ tot stand te brengen in de regio Midi-Pyrénées. Het onderzoek is multidisciplinair en moet technologische barrières doorbreken die de vooruitgang van de lucht-en ruimtevaartindustrie in de weg staan. Bij de oprichting had het STAE een budget van vijfentwintig miljoen euro voor vijf jaar. In 2011 staat het voor de taak een nieuwe financiering van vijf miljoen binnen te halen. Twee van de lopende projecten hebben betrekking op klimaat- en satellietgegevens: CYMENT is een driejarig project dat in 2011 afloopt. Het is een demonstratiemodel dat satellietgegevens met modellering combineert om de waterhuishouding (op land) te voorspellen en te monitoren, zowel regionaal als wereldwijd. Penvoerder is LEGOS, een multidisciplinair laboratorium van CNES, CNRS, IRD, OMP en UPS. Een tweede programma draait om de luchtkwaliteit boven Europa, met name de ozon- en koolmonoxide-gehalten. Onder de naam POGEQA ontwikkelen de onderzoekers een remote sensing programma.

Meer informatie:

  • Website Ministerie Hoger Onderwijs en Onderzoek
  • Les 100 qui comptent, Usine Nouvelle, 24 juni 2010
  • Website CNES
  • Website Aeropsace Valley
  • Website ONERA
  • Website Fondation STAE
  • CNES Magazine, januari 2010 en januari 2011


Elisabeth van Zutphen - 28-4-2011

share
Geplaatst op: 29-04-2011|Gewijzigd op: 23-03-2012