Energieprestaties op gebiedsniveau bepalen met nieuwe wetgeving en instrumenten
Collectieve warmtevoorziening voor gebouwen – bijvoorbeeld stadsverwarming – staat steeds meer in de belangstelling. Gemeenten als Amsterdam, Delft en Rotterdam zien warmtelevering als dé manier om te verduurzamen. Relatief nieuwe collectieve opties zijn sterk in opkomst, zoals warmte- en koudeosplag en geothermie. Maar hoe is een afgewogen keuze tussen alle mogelijke opties te maken? Nieuwe wetgeving biedt uitkomst. Ook biedt het Nationaal Expertisecentrum Warmte (NEW) veel handige instrumenten.
Vanaf 1 januari 2012 gelden nieuwe normen voor het bepalen van de wettelijke energieprestatie-eis voor nieuwe gebouwen. De huidige norm (de EPC) neemt maatregelen op gebiedsniveau niet mee, terwijl die wel relevant zijn om te kiezen tussen diverse warmte-opties. Vanaf 2012 moet voor het bepalen van de EPC voor nieuwe gebouwen gebruik worden gemaakt van de EPG (energieprestatienorm gebouwen) en de EMG (energieprestatienorm voor maatregelen op gebiedsniveau). Op termijn zullen deze methoden ook gaan gelden voor bestaande gebouwen.
Nieuwe normen voor de energieprestatie: EPG en EMG
Hoe gaat het bepalen van de energieprestatie straks in z’n werk? De EPG bepaalt de energieprestatie van het gebouw op basis van maatregelen op gebouwniveau, zoals isolatie en energiezuinige installaties in het gebouw. De EMG bepaalt de (eventuele) bijdrage van collectieve energiemaatregelen in het gebied. Deze bijdrage wordt uitgedrukt in het zogeheten ‘equivalent opwekkingsrendement’ en wordt ingevoerd in de EPG. Hoe hoger het equivalent opwekkingsrendement, des te beter de energieprestatie van het gebouw, wat neerkomt op een lagere EPC. De EMG brengt lijn in de uiteenlopende gelijkwaardigheidsverklaringen, die tot nu toe werden gebruikt om het equivalent opwekkingsrendement te bepalen.
‘Getrapte eis’
Om te voorkomen dat een gebouw met een collectieve energievoorziening weliswaar aan de EPC-eis voldoet dankzij de collectieve energievoorziening maar zelf niet voldoende energiezuinig is - bijvoorbeeld door onvoldoende isolatie - komt er een ‘getrapte eis’: wanneer gebruik wordt gemaakt van de EMG, moet de energieprestatie van een gebouw zónder meetelling van de energievoorziening op gebiedsniveau maximaal 1,33 maal de dan geldende EPC zijn. Deze ‘getrapte eis’ regelt dus dat de energieprestatie van een gebouw zelf, zónder de collectieve warmtelevering, een minimale waarde heeft.
Warmteopties vergelijken: Uniforme Maatlat
Met de EMG zijn collectieve warmteopties voor gebouwen goed te vergelijken. Een rekentool hiervoor is nog in ontwikkeling. Wie nu al wil uitrekenen welke opties het meest effectief zijn, kan gebruikmaken van de Uniforme Maatlat van het NEW. Hiermee zijn de CO2-uitstoot, het primair energiegebruik en de bijdrage aan duurzame energie te vergelijken. Voor alle warmte- en koudeopties worden dezelfde rekenregels en uitgangspunten gebruikt, waardoor de uitkomsten onderling goed vergelijkbaar zijn.
Warmteopties selecteren: Afwegingskader Locaties
De EMG en de Uniforme Maatlat berekenen de energetische prestatie van warmteopties voor gebouwen. Maar in de dagelijkse praktijk van bouwprojecten speelt veel meer. Diverse partijen zijn betrokken met ieder hun eigen ambities, eisen en wensen. Ook de mogelijkheden van de bouwlocatie spelen een rol. Daarnaast zijn de kosten van de diverse opties belangrijk. Om al deze aspecten af te wegen heeft het NEW het Afwegingskader Locaties ontwikkeld. Met dit instrument kunnen partijen rond een bouwlocatie, bijvoorbeeld gemeente en projectontwikkelaar, gezamenlijk een eerste selectie maken tussen warmte- en koudeopties, zowel op gebouwniveau als met betrekking tot collectieve en duurzame opties.
Meer informatie
- De EPG, EMG en de getrapte eis zijn aangewezen in een besluit van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 22 oktober 2010 (Staatsblad 2010 728)
- De EPG en EMG zijn gepubliceerd door het Nederlandse normalisatie-instituut (NEN) op 15 april 2011 (EPG=NEN7120; EMG=NVN 7125)
- Informatie over warmtevoorzieningen en instrumenten, zoals de Uniforme Maatlat en Afwegingskader Locaties
- Rekenmodel Optimale Energie Infrastructuur (OEI-model)
