Als het gaat om duurzaamheid, innovatie en internationaal

Warmte uit afval inzetten voor zoutproductie

Stoomleidingen van afvalverwerkers naar AkzoNobel
 
Voor de productie van zout is veel warmte nodig. De zoutfabrieken van AkzoNobel voorzien in deze behoefte met warmtekrachtcentrales, die geheel of gedeeltelijk in eigendom zijn. Met het oog op de toekomst investeert het bedrijf nu op meerdere locaties in alternatieve warmtebronnen, zoals stoom van naastgelegen afvalverwerkingsbedrijven. ‘Zo besparen we flink op aardgas en zijn we minder afhankelijk van één brandstof.’
 
Deels voor onszelf
AkzoNobel haalt zout uit de grond in de vorm van pekel: in water opgelost zout. Om er zuiver zout van te maken wordt de pekel gezuiverd en ingedampt. Het grootste deel van het zout is bedoeld voor de productie van chloor. Daarnaast wordt het ingezet als keuken- en wegenzout. De benodigde warmte voor het indampen van de pekel kwam altijd alleen van warmtekrachtcentrales die op de terreinen van AkzoNobel staan. ‘Daarin wekken we met behulp van aardgas elektriciteit en stoom op’, vertelt project engineer Martijn Gielen. ‘Deels voor onszelf en deels voor derden: het openbare elektriciteitsnet of bedrijven in de buurt.’ Na 2010 komt de warmte die nodig is voor een deel uit zeer goed geïsoleerde stoomleidingen die stoom van afvalverwerkers aanvoeren.
 
Oog op de toekomst
In Hengelo startte AkzoNobel in januari 2010 met de aanleg van een stoomleiding. De leiding met een doorsnede van 1 meter loopt van afvalverwerkingsbedrijf Twence, twee kilometer verderop, naar het terrein van AkzoNobel. Een keuze met het oog op de toekomst, legt Gielen uit. ‘Twence verwerkt afval tot elektriciteit. Daarbij komt ook restwarmte in de vorm van stoom vrij, die wij goed kunnen gebruiken. We kunnen dan onze warmtekrachtcentrale terugregelen en flink besparen op aardgas.’ Ook bij een andere vestiging in Farmsum werkt AkzoNobel aan een stoomleiding. De nieuwe afvalverbrandingsinstallatie Energy from Waste (EEW) in Delfzijl waar de stoom straks vandaan komt, is medio 2010 klaar. Procestechnoloog Gerard van de Putte: ‘We kiezen bewust voor brandstofdiversificatie, zodat we niet afhankelijk zijn van aardgas als de prijzen stijgen.’ Daarnaast blijven de warmtekrachtinstallaties nodig omdat de stoom alleen niet voldoende is.
 
Risico’s beperken
Bij het aanleggen van de stoomleidingen doet AkzoNobel een beroep op de Energie-investeringsaftrek (EIA). In 2009 ging het bedrijf de eerste investeringsverplichtingen aan en meldde deze binnen drie maanden aan voor de EIA. Gielen: ‘We maken regelmatig gebruik van de EIA, maar het is elke keer weer even puzzelen in welke categorie een investering valt.’ De aftrek van de vennootschapsbelasting is een forse steun voor het bedrijf: tot elf procent van de investeringen. In Hengelo is de totale investering circa vijftien miljoen euro, in Delfzijl circa vijf miljoen. Van de Putte: ‘Bij ons is het eerste deel van de stoomleiding een common carrier, die niet door ons betaald wordt omdat ook anderen hiervan gebruik maken. Alleen het tweede deel is een private investering. Dat, en de EIA, scheelt enorm in de kosten.’ Gielen benadrukt: ‘Elke investering is een risico. De EIA helpt om het risico te beperken. Het bepaalt mede of een project wel of niet door kan gaan.’  
 
Makkelijker investeren
De heren zijn tevreden over de samenwerking met Agentschap NL. Gielen: ‘We zitten meestal al in de beginfase van een project met adviseurs van de EIA om de tafel. Ze denken mee, zijn goed te bereiken en kunnen meestal goed inschatten waarop we kunnen rekenen. Dat is belangrijk, want de EIA wordt pas toegekend als je al ver in het project zit. Dan heb je bijvoorbeeld al veel ontwerpkosten gemaakt.’ Elk kwartaal doet AkzoNobel aan Agentschap NL verslag van de kosten die het bedrijf maakt. Van de Putte: ‘Regelingen zoals de EIA zorgen ervoor dat we makkelijker kunnen investeren in grote projecten. De stoomleidingen nemen we binnenkort in gebruik. Ondertussen onderzoeken we samen met partners alweer nieuwe toepassingen van restwarmte.’
Geplaatst op: 03-05-2011|Gewijzigd op: 16-08-2011