Als het gaat om duurzaamheid, innovatie en internationaal

Veelgestelde vragen over saneren en saneringshandelingen

Antwoorden

  •  Wat is saneren van de bodem?

    Volgens artikel 1 van de Wet bodembescherming is dit het beperken en zoveel mogelijk ongedaan maken van verontreiniging en de directe gevolgen daarvan of van dreigende verontreiniging van de bodem. De wet kent echter nog een andere activiteit, namelijk het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan de verontreiniging in de bodem wordt verminderd of verplaatst (art. 28 Wbb). Dit wordt qua rechtsgevolg op één lijn gesteld met saneren.

    Terug naar boven
  •  Welke handelingen kunnen onder het saneren van de bodem vallen?

    Maatregelen ter voorbereiding van de sanering (plaatsen van een afrastering, verwijderen van opstellen of het aanbrengen van bouwtechnische voorzieningen), maar ook het aanbrengen van een isolatielaag (bijvoorbeeld een asfaltlaag) of het tijdelijk uitplaatsen onder het Besluit uniforme saneringen (BUS). Saneren kan zich ook op een dreigende verontreiniging richten en een preventief karakter hebben. Ook het beheren van de verontreiniging en nazorg vallen onder het saneringsbegrip.

    Terug naar boven
  •  Valt graven in verontreinigde grond ook onder saneren?

    Ja, indien dit handelingen zijn waardoor de verontreiniging wordt verminderd of verplaatst en vallen onder het (raam)saneringsplan of BUS-melding.

    Terug naar boven
  •  Wanneer moet ik volgens de Wbb melden?

    Artikel 28 van de Wbb heeft een ruim bereik. Immers, degene die voornemens is de bodem te saneren of handelingen verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging wordt verminderd of verplaatst moet een melding doen bij bevoegd gezag Wbb. Uit de jurisprudentie volgt dat de meldingsplicht van artikel 28 Wbb ook van toepassing is als de verontreiniging door menselijk ingrijpen wordt verplaatst, zonder dat er gesaneerd wordt (ABRvS 28 november 2008, 200709053/1). Met deze bepaling heeft de wetgever beoogd een ruime werkingssfeer van artikel 28 van de Wbb te bereiken, namelijk het zicht houden op verontreinigde locaties en verontreinigde grondstromen (Kamerstukken II, 1991-1992, 21556, nr. 5, pag. 20).
    In sommige gevallen kan een melding achterwege blijven. Zie voor de uitzonderingen artikel 28 lid 3 en 4 Wbb.

    Terug naar boven
  •  Heb ik altijd een saneringsplan nodig?

    Nee. Volgens artikel 39 Wbb moet een saneringsplan worden ingediend als het voornemen bestaat de bodem te saneren. Deze zin is bij de laatste wijziging van de Wbb in 2006 toegevoegd. Voor die tijd was het verplicht om altijd het saneringsonderzoek en het saneringsplan te overleggen. Sinds 1 januari 2006 is dat laatste alleen nodig als er een concreet voornemen bestaat de bodem te saneren. Deze aanpassing is doorgevoerd, omdat niet langer in alle gevallen waarin sprake is van ernstige verontreiniging ook een sanering moet plaatsvinden. Er moet gesaneerd worden als er sprake is van ernst en spoed als bedoeld in artikel 37 lid 1 Wbb. Daarnaast vindt sanering plaats indien dit noodzakelijk is vanwege de ontwikkeling van een locatie. Bijvoorbeeld op eigen initiatief van de betrokken eigenaar of erfpachter vanwege bouwplannen. Dit wordt ook wel een vrijwillige sanering genoemd.

    Terug naar boven
  •  Is graven na de uitspraak van de ABRvS van 14 oktober 2009 (200900349/1/M2) nu ineens geen saneren meer?

    Nee. Graven kan nog steeds saneren zijn. In deze zaak stond weliswaar het graven van een gleuf ten behoeve van werkzaamheden aan de riolering centraal, maar ging het in feite om de handhavingsgrondslag. Deze was namelijk onjuist. De graafwerkzaamheden zagen namelijk niet op de uitvoering van het raamsaneringsplan. Er gold wat betreft deze werkzaamheden dus geen verplichting op grond van artikel 39a van de Wet bodembescherming. De graver in kwestie had immers geen eigen saneringsplan. Deze specifieke graafwerkzaamheden konden in dit geval dus ook niet aangemerkt worden als saneringshandelingen zoals opgenomen in het raamsaneringsplan. Dit laat onverlet dat de graver van de gleuf afzonderlijk een melding op grond van artikel 28 Wbb had moeten doen. Er werden immers wel handelingen verricht ten gevolge waarvan de verontreiniging werd verminderd of verplaatst.

    Terug naar boven
  •  Hoe moet ik omgaan met één en dezelfde verontreiniging, die zowel voor als na 1987 is ontstaan?

    In zo’n geval moet worden onderzocht welk gedeelte van de verontreiniging vóór en ná 1987 is ontstaan. Is het grootste gedeelte ontstaan voor 1987 dan moet het reguliere saneringsspoor worden gevolgd (artikel 28 Wbb e.v.) en vice versa. Wanneer dit niet mogelijk is, dan zal het bevoegd gezag op basis van de beschikbare informatie een beslissing moeten nemen om dit als een oud of als een nieuw geval aan te merken (met bijbehorende saneringsdoelstelling). Het is niet wenselijk als er meerdere saneringssporen tegelijkertijd worden gevolgd.

    Terug naar boven
  •  Hoe moet ik omgaan met twee verschillende verontreinigingen, waarvan de een vóór en de ander ná 1987 is ontstaan, die zodanig met elkaar zijn vermengd dat zij niet meer afzonderlijk kunnen worden aangepakt?

    Hiervoor biedt de wet geen kant-en-klare oplossing. De aanpak van deze verontreinigingen moet aansluiten op de omstandigheden van het geval. De eigenaar/veroorzaker moet in ieder geval maatregelen treffen om de ‘nieuwe’ verontreiniging zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Deze maatregelen kunnen aan de redelijkheid worden getoetst.

    Terug naar boven
  •  Wie moet een nieuwe verontreiniging saneren?

    In principe moet de veroorzaker op grond van artikel 13 Wbb de verontreiniging indien redelijkerwijs haalbaar wegnemen. Uit de jurisprudentie volgt echter dat de zorgplicht van artikel 13 Wbb zich niet alleen richt tot de directe veroorzaker van de verontreiniging, maar ook tot degene die bevoegd en feitelijk in staat is om een overtreding van de zorgplicht te voorkomen of te beperken. Bijvoorbeeld de eigenaar van een perceel. Tot slot functioneert het bevoegd gezag Wbb als achtervang indien noch de veroorzaker noch de eigenaar kan worden aangesproken. Dit volgt uit artikel 48 Wbb.

    Terug naar boven
Geplaatst op: 01-08-2011|Gewijzigd op: 24-11-2011