Als het gaat om duurzaamheid, innovatie en internationaal

Veelgestelde vragen over Grond en baggerspecie - Algemeen en definities

Antwoorden

  •  Waar vind ik de actuele wetteksten van het Besluit?

    Alle wet- en regelgeving is te vinden via www.wetten.nl. Hier kunt u de meest actuele tekst van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit vinden. Alle originele publicaties in de Staatscourant en Staatsblad kunt u ook terugvinden op deze website van Bodem+.Terug naar boven
  •  Wat houdt de zorgplicht in?

    De zorgplicht houdt in dat iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat nadelige gevolgen kunnen optreden als gevolg van het toepassen van een bouwstof, grond of baggerspecie, maatregelen moet nemen om verontreiniging te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.
    Voor toepassing in oppervlaktewater is een specifieke zorgplicht in het Besluit bodemkwaliteit opgenomen om nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater te voorkomen. Voor toepassing op de landbodem was deze al afdoende opgenomen in de Wet Bodembescherming zelf.
     
    De zorgplicht vormt een vangnet voor situaties waarin sprake is van onzorgvuldig handelen zonder dat een specifiek wettelijk voorschrift wordt overtreden. De zorgplicht geldt bijvoorbeeld ook bij parameters waarvoor geen normen zijn opgenomen of in situaties die zijn vrijgesteld van de verplichte kwaliteitsbepaling. Zo kent het Besluit bodemkwaliteit geen normen voor bijvoorbeeld nutriënten. In het kader van de zorgplicht moet desondanks voorkomen worden dat negatieve effecten op bijvoorbeeld de waterkwaliteit ontstaan. Dit geldt ook bij lozingen in oppervlaktewater die als bijkomend gevolg van een toepassing ontstaan, zoals het vrijkomen van zout water bij het toepassen van zeezand of lozing van water uit een tijdelijk baggerdepot.

    Terug naar boven
  •  Wat is de definitie voor grond en voor baggerspecie?

    Het Besluit bodemkwaliteit hanteert voor grond en baggerspecie de volgende definities (artikel 1):

    "Grond is vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 mm en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, met uitzondering van baggerspecie.

    Baggerspecie is materiaal, dat is vrijgekomen uit de bodem via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte en dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeteren organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter."

    De definitie voor grond en baggerspecie van het Besluit bodemkwaliteit wijkt af van de definitie van grond zoals deze was opgenomen in het Bouwstoffenbesluit. Zo is het herkomst element uit de oude definitie (van natuurlijke oorsprong is, niet door de mens is geproduceerd en onderdeel van de Nederlandse bodem kan uitmaken) losgelaten, waardoor diverse materialen die onder het Bouwstoffenbesluit geen grond waren dat nu wel zijn. Voorbeelden hiervan zijn bentoniet, boorgruis en rioolkolken, gemalenslib en veegzand (RKGV). Zie voor meer informatie ook de Nota van Toelichting van het Besluit.

    Terug naar boven
  •  Hoe zit het met toegestane percentages bodemvreemd materiaal?

    Het Besluit bodemkwaliteit stelt in artikel 34 dat aanvullend op de definities dat een partij grond en baggerspecie maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Het gaat hierbij nadrukkelijk niet om bijmengingen van bodemvreemd materiaal in grond of baggerspecie nadat het materiaal is afgegraven. Voor specifieke toepassingen kan het bevoegd gezag in de bodembeheernota de toegestane hoeveelheid bodemvreemd materiaal verlagen of nadere regels stellen over soorten bodemvreemd materiaal, bijvoorbeeld voor gebieden met een bijzonder beschermingsniveau.

    Wanneer niet aan de definitie van grond of baggerspecie wordt voldaan of wanneer het maximaal toegestane percentage bodemvreemd materiaal wordt overschreden, dan kan het materiaal niet worden toegepast als grond of baggerspecie in het kader van het Besluit. Door bijvoorbeeld te zeven kan het percentage bodemvreemd materiaal onder de 20 gewichtsprocent worden gebracht, zodat alsnog sprake is van grond of baggerspecie.

    Zie ook de brief aan de Tweede Kamer dd 22 april 2010 omtrent het toegestane percentage bodemvreemd materiaal in grond en baggerspecie.

    Terug naar boven
  •  Wat is het verschil tussen generiek en gebiedsspecifiek beleid?

    Gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders kunnen ervoor kiezen om gebiedsspecifiek beleid vast te stellen. Dit houdt in dat zij normen kunnen vaststellen die strenger of soepeler zijn dan de landelijke (generieke) normen, Hierdoor is lokaal maatwerk mogelijk.
    Overige kenmerken van gebiedsspecifiek beleid zijn:
    - de lokale normen zijn onderbouwd door een risicobeoordeling met de risicotoolbox;
    - de onderbouwing wordt vastgelegd in een bodembeheernota;
    - een bodemkwaliteitskaart is verplicht;
    - het standstill-beginsel geldt op gebiedsniveau en op stofniveau.

    Wanneer een lokale overheid geen gebiedsspecifiiek beleid maakt, geldt automatisch het generieke beleid.

    Het uitgangspunt van het generieke beleid is dat de kwaliteit moet aansluiten bij de functie en dat de lokale bodemkwaliteit niet mag verslechteren (dubbele toets). De landelijke (generieke) normen en toetsingsregels zoals opgenomen in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit zijn hier van toepassing. Overige kenmerken van het generieke beleid zijn:
    - een functieklassenkaart is verplicht, de bodemkwaliteitskaart is een keuzeoptie;
    - bij waterbodems wordt alleen aan de kwaliteit getoetst (geen functietoets);
    - het standstill-beginsel geldt op locatie- en klasseniveau (niet op stofniveau).

    Een uitgebreide toelichting op het maken en vaststellen van generiek en gebiedsspecifiek beleid vindt u in de Handreiking Besluit bodemkwaliteit. Daar vindt u ook een stappenplan om u te ondersteunen bij het maken van een keuze tussen generiek en gebiedsspecifiek beleid.

    Voor medewerkers van Rijkswaterstaat wijzen we erop dat binnen Rijkswaterstaat een eigen stappenplan beschikbaar is voor gebiedsspecifiek beleid voor de Rijkswateren via www.rijkswaterstaat.nl. Daarnaast is voor het kiezen en opnemen van verbredingsthema’s in het bodembeleid een stappenplan beschikbaar via www.bodemambities.nl.Terug naar boven
  •  Welke klassenindeling kent het Besluit bodemkwaliteit voor grond en baggerspecie?

    Landbodem
    Het generieke kader kent voor toepassingen op de landbodem een klassenindeling die is gekoppeld aan de gebruiksfunctie van de bodem: landbouw/natuur, wonen en industrie. Zowel de bodemfunctie als de bodemkwaliteit wordt in een van deze klassen ingedeeld.
    In het gebiedsspecifieke kader wordt getoetst op de afzonderlijke stoffen, of geldt de generieke klassenindeling, met uitzondering van bepaalde stoffen.

    Waterbodem
    Voor toepassing op de waterbodem (inclusief onder andere uiterwaarden en stranden) geldt alleen een indeling in kwaliteitsklassen. Er worden dus geen verschillende functies onderscheiden. Voor toepassing op de waterbodem is er onderscheid tussen de klassen A en B.

    Voor meer uitleg over de klassenindeling voor grond en baggerspecie wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van de Handreiking Besluit bodemkwaliteit.

    Terug naar boven
  •  Is een functiekaart verplicht? En wat zijn de consequenties bij het ontbreken van een functiekaart?

    Een bodemfunctieklassenkaart is verplicht in het generieke beleid. De kaart is immers nodig om als toepasser in het generieke beleid te bepalen aan welke bodemfunctieklasse de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet worden getoetst. De regels voor het maken van een bodemfunctieklassenkaart vindt u in bijlage J van de Regeling Besluit bodemkwaliteit.

    Als er geen bodemfunctiekaart is opgesteld, of als een locatie niet in een functie is ingedeeld, kan alleen grond worden toegepast die voldoet aan de Achtergrondwaarden.

    Ook voor de volgende situaties is een bodemfunctiekaart nodig:
    - Als instrument bij het toetsen van de kwaliteit van de leeflaag van een grootschalige toepassing. Zie voor meer informatie: vraag 6 in de FAQ over toetsings- en toepassingsregels.
    - Als instrument bij het toetsen van de nieuwe stoffen in het stoffenpakket (barium, chroom, molybdeen en PCB’s), die meestal nog niet zijn opgenomen in de bodemkwaliteitskaart. Zie voor meer informatie: vraag 6 in de FAQ over overgangsrecht.
    - Als instrument voor het vaststellen van de terugsaneerwaarde en kwaliteitseis voor leeflagen en aanvulgrond bij bodemsanering (zie vraag 16 in de FAQ over circulaire bodemsanering) en binnen het Besluit Uniforme Saneringen (vraag 16 in de FAQ over BUS).
    - Voor (uitbreiding van) werken die conform het Bouwstoffenbesluit niet vallen onder de Vrijstelingregeling grondverzet (zoals infrastructurele werken als geluidswallen) of gebieden die niet zijn ingedeeld op een bodemkwaliteitskaart, gelden de regels uit het Besluit bodemkwaliteit en is een bodemfunctiekaart gewenst om te voorkomen dat alleen schone grond mag worden toegepast. Zie bijvoorbeeld vraag 5 in de FAQ over overgangsrecht.

    Terug naar boven
  •  Door wie en hoe worden bodemkwaliteitskaarten en bodemfunctiekaarten vastgesteld?

    Bodemkwaliteitskaart onder gebiedsspecifiek beleid
    De bodemkwaliteitskaart maakt verplicht onderdeel uit van het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid met Lokale Maximale Waarden. Dit volgt uit artikel 47 Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Het besluit tot vaststelling van het gebiedsspecifieke beleid met de Lokale Maximale Waarden is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarop de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 Awb) van toepassing is (zie artikel 49 Bbk). Dit betekent dat het ontwerpbesluit gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd en belanghebbenden hun zienswijzen kunnen indienen. Het is vervolgens mogelijk om tegen dit besluit beroep in te stellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie artikel 50 Bbk). Het besluit tot het vaststellen van lokale maximale waarden omvat op grond van artikel 47 Bbk behalve de bodemkwaliteitskaart en de lokale maximale waarden, ook voor zover van toepassing het gewichtspercentage bodemvreemd materiaal en een motivering van het besluit. In de praktijk maakt dit alles onderdeel uit van de nota bodembeheer. Afhankelijk van het bevoegd gezag van het beheergebied wordt dit besluit genomen door:
    • de gemeenteraad (in geval van de landbodem);
    • het dagelijks bestuur van het waterschap (in geval van de waterbodem van regionaal oppervlaktewater) of;
    • de directeur Water en Scheepvaart van Rijkswaterstaat (in geval van waterbodem ter plaats van Rijkswater).

    Bodemkwaliteitskaart onder generiek beleid
    Onder het generieke toetsingskader is een bodemkwaliteitskaart niet verplicht. Artikel 57 Bbk biedt wel de mogelijkheid om hiertoe. Het bevoegd gezag (lees het college van B&W) kan de bodemkwaliteitsklassen op een kaart vastleggen. Uit de Richtlijn bodemkwalitteitskaarten volgt dat dit een besluit is waarop een Awb-procedure van toepassing is. In tegenstelling tot het gebiedsspeciefieke beleid is het niet verplicht om bij de vaststelling van dit besluit de uniforme openbare prucedure (afdeling 3.4) toe te passen. Het vaststellen van de generieke bodemkwaliteitskaart kan beschouwd worden als een besluit van algemene strekking en wel een algemeen verbindend voorschrift (avv). Tegen een avv staat geen beroep en bezwaar open (8:2 Awb), tenzij de betreffende gemeente in haar Procedureverordening anders heeft voorgeschreven. Vanuit het oogpunt van het Besluit bodemkwaliteit is het overigens wel wenselijk dat het vaststellen van de bodemkwaltieitskaart openstaat voor inspraak, maar dit is dus niet geregeld in het Besluit bodemkwaliteit zelf. Zie voor meer informatie ook de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten (onder het kopje Vaststelling).

    Bodemfunctieklassenkaart
    Onder het generieke toetinsgkader is een bodemfunctieklassenkaart verplicht. Deze kaart (alleen relevant voor de landbodem) wordt op grond van artikel 55 Bbkvastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. Dit is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (zie hiervoor de Nota van toelichting bij art. 55 Bbk) en kan beschouwd worden als een besluit van algemene strekking en wel een algemeen verbindend voorschrift (avv). Tegen een avv staat geen beroep en bezwaar open (8:2 Awb), tenzij de betreffende gemeente in haar Procedureverordening anders heeft voorgeschreven. Vanuit het oogpunt van het Besluit bodemkwaliteit is het overigens wel wenselijk dat de functiekaart openstaat voor inspraak, maar dit is dus niet geregeld in het Besluit bodemkwaliteit zelf. Het Bbk beoogt immers een zorgvuldige en transparante besluitvorming. Om de bekendheid en het draagvlak van bodemfunctiekaarten te vergroten heeft het de voorkeur om de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4) van de Awb toe te passen. Met deze procedure kunnen belanghebbenden zienswijzen indienen en beroep aantekenen, zodat een goede belangenafweging is gewaarborgd. Deze procedure verloopt in het kort als volgt: openbare kennisgeving van het ontwerp besluit, ter inzage legging (gedurende 6 weken) waarbij belanghebbenden zienswijzen over het ontwerp naar voren kunnen brengen, definitief maken van het besluit en tot slot de bekendmaking. Tegen het besluit staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (geen bezwaar).

    Voor meer informatie zie de toelichting bij het Besluit bodemkwaliteit.

    Terug naar boven
  •  Hoe ga ik om met het vaststellen van bodembeheernota's voor terreinen of gebieden die gemeentegrenzen overschrijden?

    Het Besluit bodemkwaliteit legt de bevoegdheid tot het vaststellen van een bodembeheernota neer bij de gemeente. Wel kan iedere belanghebbende zelf initiatief nemen om een bodembeheernota op te stellen. Een terreineigenaar kan dus voor haar eigen terrein een bodembeheernota opstellen en die ter vaststelling aanbieden aan de gemeente, of als het terrein zich uitstrekt over meerdere gemeenten aan betreffende meerdere gemeenten. De gemeente kan voor het terrein dan een deelbodembeheernota vaststellen. De gemeente kan er vervolgens voor kiezen om die deelbodembeheernota al dan niet te integreren in de totale gemeentelijke bodembeheernota. Voordeel van integratie is dat het de uitwisseling van grondstromen tussen het betreffende terrein en andere delen van de gemeente uniformeert en vereenvoudigt.

    Indien sprake is van meerdere gemeenten moet elke gemeente apart dezelfde deelbodembeheernota vaststellen. Elke gemeente doet dat dan voor het terreingedeelte op haar eigen grondgebied. Als in iedere gemeente de deelbodembeheernota is vastgesteld gelden op het betreffende terrein de spelregels uit de deelbodembeheernota’s. Indien sprake is van een Wm-inrichting waarvoor de provincie bevoegd gezag is, dan houdt de provincie ook toezicht op naleving van de deelbodembeheernota. Omdat de gemeente de nota moet vaststellen adviseren wij om voorafgaand aan het opstellen van een deelbodembeheernota in overleg te treden met de gemeente(n) en eventueel de provincie (wanneer deze bevoegd gezag vanuit de Wm is).

    Terug naar boven
  •  Wat is de reikwijdte van het verspreiden van baggerspecie?

  •  Wat is de reikwijdte van het begrip tijdelijke uitname?

    In artikel 36, 3e lid van het Besluit bodemkwaliteit is opgenomen dat het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie is toegestaan zonder inachtneming van de artikelen 38 tot en met 64, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die toepassing wordt aangebracht. De criteria ‘bewerken’, ‘op of nabij dezelfde plaats’ en ‘onder dezelfde condities’ worden in de artikelsgewijze toelichting van het Besluit nader toegelicht. Dit impliceert dat als aan het bovenstaande wordt voldaan, de tijdelijke uitname is toegestaan zonder verplichte kwaliteitsbepaling, toetsing aan de functie en kwaliteit en meldingsverplichting. Overige bepalingen (zorgplicht en functionaliteit) en wetgeving (bijvoorbeeld Wbb, afvalstoffen- en arboregelgeving, Wro en Waterwet) blijven bij tijdelijke uitname onverminderd van kracht. In hoeverre een situatie onder tijdelijke uitname valt, is aan het decentrale bevoegd gezag. Om het bevoegd gezag te ondersteunen bij het maken van de afweging werkt Bodem+ heeft samen met de werkgroep Grond en Baggerspecie en het Implementatieteam Besluit bodemkwaliteit het Handvat tijdelijke uitname van grond en baggerspecie ontwikkeld. Dit Handvat bevat een checklist met aandachtspunten bij de afweging of een situatie wel of niet onder tijdelijke uitname past.
    Voor een overzicht van een aantal voorbeelden vanuit de natte uitvoeringspraktijk verwijzen wij u naar www.helpdeskwater.nl/slib (kijk onder vragen en antwoorden).

    Terug naar boven
  •  Wie is bevoegd gezag Bbk in aangewezen drogere oevergebieden?

    Voor de nuttige toepassing van bouwstoffen en grond of baggerspecie op of in de bodem met toepassing van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) zijn in principe Burgemeester en Wethouders (B&W) van de betrokken gemeente(n) bevoegd gezag. Voor de nuttige toepassingen op of in de bodem of een oever van een oppervlaktewaterlichaam zijn niet B&W bevoegd gezag, maar de beheerder van het betrokken oppervlaktewaterlichaam (het rijk voor rijkswateren of een waterschap voor niet-rijkswateren). Waaronder vallen nu de toepassingen in drogere oevergebieden?
    Het vaste deel van een oppervlaktewaterlichaam bestaat volgens artikel 1.1 Waterwet uit de bodem en oever van het oppervlaktewaterlichaam en uit eventuele drogere oevergebieden (mits die expliciet zijn aangewezen bij of krachtens amvb of provinciale verordening). Artikel 6.2 lid 3 Waterwet bepaalt dat voor de toepassing van het eerste lid de gronden binnen een oppervlaktewaterlichaam die als droger oevergebied zijn aangewezen, niet tot het oppervlaktewaterlichaam worden gerekend. Dit geldt ook voor het Bbk. In het hele Bbk moet de term oppervlaktewaterlichaam in het licht van artikel 6.2 lid 3 Waterwet worden gelezen: de term oppervlaktewaterlichaam omvat uitsluitend de bodem en oever van dat lichaam en niet de drogere oevergebieden. Deze drogere oevergebieden worden voor de toepassing van het Bbk namelijk beschouwd als zijnde landbodem, omdat deze gebieden niet vaak onder water staan. Op grond van artikel 3.1 of 3.2 Waterwet aangewezen zogenaamde ''drogere oevergebieden" binnen oppervlaktewaterlichamen is dus niet de waterbeheerder bevoegd gezag Bbk, maar B&W van de betrokken gemeente(n).

    Terug naar boven
Geplaatst op: 26-07-2011|Gewijzigd op: 25-01-2012