Als het gaat om duurzaamheid, innovatie en internationaal

Veelgestelde vragen over de Wet bodembescherming

Antwoorden

  •  Wat wordt verstaan onder bodem?

    Volgens de Wet bodembescherming (art. 1 Wbb) wordt onder bodem het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen verstaan. Volgens vaste jurisprudentie is een stortlaag die voor meer dan 50% uit bodemvreemd materiaal bestaat geen bodem meer als bedoeld in de Wbb. Zie ook de uitspraken van de Afdeling van de Raad van State van 9 januari 2008 (nr. 200700610/1) en 11 maart 2009 (nr. 200802326/1/M2).

    Terug naar boven
  •  Is er overgangsrecht?

    Ja, het overgangsrecht is te vinden in de artikelen II, III, IV van de wijzigingswet Wbb en in artikel 44 van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering.

    Terug naar boven
  •  Welk recht is vanaf 1 januari 2006 van toepassing op een sanering die nog niet is uitgevoerd terwijl in 2005 met het saneringsplan is ingestemd?

    Hierop is de Wbb van 1 januari 2006 van toepassing met uitzondering van het huidige art. 39 lid 1 Wbb (art. II lid 1). Voor saneringen die niet zijn afgerond voor 1 januari 2006 gelden wel de verplichtingen ten aanzien van het saneringsverslag (39c) en het nazorgplan (39d en 39e).

    Terug naar boven
  •  In een beschikking ernst en urgentie van 1 december 1996 is de saneringsaanvang bepaald op binnen 12 jaar na afgeven beschikking (cat. III), dus vóór 1 december 2008. Mag ik in dit geval herbeschikken omdat er geen sprake lijkt te zijn van overschrijdi

    Nee. In art. II lid 3 is bepaald dat de oude beschikkingen ernst en urgentie van kracht blijven en worden gelijkgesteld met beschikkingen waarin is vastgesteld dat spoedige sanering noodzakelijk is. Alleen beschikkingen waarin een tijdstip is vastgesteld met betrekking tot de aanvang van de sanering dat ligt tenminste vier jaar na 1 januari 2006, dus na 1 januari 2010, kunnen op verzoek worden herbeschikt. In andere gevallen is herbeschikking alleen mogelijk wanneer er nieuwe feiten of omstandigheden zijn aan te duiden die, als zij destijds bekend waren geweest, tot andere besluitvorming hadden geleid.

    Terug naar boven
  •  Het bevoegd gezag heeft in 2001 de schuldige eigenaar van een bronperceel per brief medegedeeld dat de sanering van overheidswege zal worden uitgevoerd, met afkoop van het aandeel van de schuldig eigenaar, echter de sanering is nog niet uitgevoerd en m

    In de Wbb van 1 januari 2006 is een saneringsplicht opgenomen voor de eigenaar of in geval van erfpacht, de erfpachter, van een bedrijfsterrein waar een geval van ernstige verontreiniging is ontstaan. In het overgangsrecht is de volgende bepaling opgenomen:
    "ARTIKEL IV
    De verplichting, bedoeld in artikel 55b, eerste lid, is niet van toepassing op eigenaren dan wel erfpachters van bedrijfsterreinen aan wie het bevoegd gezag, voor 1 januari 2002, schriftelijk heeft bevestigd dat het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 48, tot sanering zal overgaan."
    Gelet op deze overgangsbepaling is de saneringsplicht niet van toepassing. Het bevoegd gezag heeft al voor 1 januari 2002 schriftelijk bevestigd dat het bevoegd gezag tot sanering zal overgaan.

    Terug naar boven
  •  Wanneer kan het bevoegd gezag beheersmaatregelen (art. 37 lid 4 Wbb) vaststellen?

    Als uit onderzoek blijkt dat de bodem vervuild is, maar er geen sprake is van onacceptabele risico’s, kan het bevoegd gezag beheersmaatregelen opleggen. Bijvoorbeeld monitoring. De beheersmaatregelen hebben tot doel veranderingen in de verontreinigingssituatie te signaleren en opnieuw te kunnen toetsen aan overschrijding van het saneringscriterium. Het opleggen van beheersmaatregelen is naar inzicht van het bevoegd gezag. De wet stelt op dit punt geen nadere voorschriften.

    Terug naar boven
  •  Kan het bevoegd gezag op grond van de Wbb het saneringstijdstip veranderen?

    Ja, volgens art. 37 lid 6 kan het tijdstip anders worden vastgesteld naar aanleiding van genomen tijdelijke beveiligingsmaatregelen, gemelde wijzigingen van het gebruik of wijzigingen van omstandigheden. Hiervoor is een nieuwe beschikking nodig, bevattende wijziging van het tijdstip.

    Terug naar boven
  •  Wanneer is een sanering afgerond?

    Zodra het bevoegd gezag het evaluatieverslag (art. 39 lid c) van de saneerder ontvangt, is de sanering feitelijk afgerond. Met het indienen van het verslag geeft de saneerder aan dat de sanering naar behoren is uitgevoerd. Aansluitend volgt de beoordeling van het bevoegd gezag. Als deze instemt met het evaluatieverslag is de sanering definitief afgerond. De saneerder heeft aan zijn verplichtingen voldaan. De Wbb schrijft voor dat het saneringsplan een einddatum bevat. Als de sanering de einddatum dreigt te overschrijden kan het bevoegd gezag de saneerder hierop aanspreken en verlangen dat er ofwel een aangepast saneringsplan komt, ofwel een afronding van de sanering plaats vindt (door indienen van het evaluatieverslag). Op deze wijze wordt voorkomen dat een sanering blijft voortduren.

    Terug naar boven
  •  Geldt voor het verlenen van instemming op het evaluatieverslag de beslistermijn van de Awb?

    De instemming met het verslag door het bevoegd gezag is een beschikking in de zin van de Awb. Er is geen beslissingstermijn opgenomen in de wet, hetgeen betekent dat de termijnen van de Awb van toepassing zijn. Het bevoegd gezag moet binnen een redelijke termijn beslissen. De termijn verstrijkt in elk geval acht weken na ontvangstdatum van het verslag.

    Terug naar boven
  •  Waarom is er een apart nazorgplan (art. 39 lid d)?

    De saneerder zal, gelet op art. 38 lid 1 onder c Wbb, bij de keuze voor de saneringsvariant die in het saneringsplan is opgenomen duidelijk moeten maken dat daarmee de nazorg zoveel mogelijk wordt beperkt. Het bevoegd gezag zal dit aspect expliciet moeten toetsen bij de instemming met het saneringsplan. Indien wordt voorzien dat nazorg noodzakelijk is, hoeft er echter nog geen nazorgplan ter instemming te worden overgelegd. Het nazorgplan kan het beste worden opgesteld wanneer het resultaat van de sanering bekend is. Daarom bepaalt de Wbb dat een nazorgplan pas hoeft te worden ingediend, indien in het evaluatieverslag van de sanering is aangegeven dat nazorg noodzakelijk is. Meer vragen over nazorg.

    Terug naar boven
  •  Wat zijn de voorwaarden voor de saneringsplicht (art. 55b Wbb)?

    In een beschikking moet de verontreiniging als ernstig geval waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, zijn aangemerkt. Daarnaast moet het gaan om een bedrijfsterrein waar de ernstige verontreiniging is ontstaan (bronperceel). Ten slotte is van belang dat er op het bedrijfsterrein bedrijfsactiviteiten worden verricht. Dit laatste volgt uit de definitie van bedrijfsterrein die is gegeven in art. 55a Wbb. Onder een bedrijfsterrein wordt ingevolge art. 55a Wbb verstaan een perceel als bedoeld in art. 1 lid 1 onderdeel c Kadasterwet waarop bedrijfsactiviteiten worden verricht door een onderneming in de zin van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 of de Wet op de vennootschapsbelasting 1969, niet behorend tot de landbouwsector.

    Terug naar boven
  •  Wanneer kan er financiële zekerheid worden gesteld?

    Twee situaties van financiële zekerheid kunnen zich voordoen:

    1. Financiële zekerheid bij overdracht van verontreinigde grond (art. 55b Wbb). Naast de nieuwe eigenaar blijft de oude eigenaar hoofdelijk aansprakelijk totdat de nieuwe eigenaar zekerheid heeft gesteld. Het bevoegd gezag moet hiermee instemmen. Het Besluit financiële bepalingen bodemsanering regelt dat de zekerheid in stand blijft totdat het bevoegd gezag instemt met het saneringsplan. Ook daarin zijn de vormen van financiële zekerheid benoemd.
    2. Financiële zekerheid gericht op de kosten van nazorg en langdurige saneringen (art. 39 Wbb). Het Besluit financiële bepalingen bodemsanering perkt deze bevoegdheid in, geregeld is namelijk dat deze zekerheid alleen mag worden gevraagd wanneer meer dan 50% van de kosten van sanering dan wel nazorg na een periode van tenminste 5 jaar wordt gemaakt.
    Terug naar boven
  •  Moet een restverontreiniging die om technische reden achter moet en ook mag blijven na een zorgplichtaanpak (13 Wbb) of ongewoon voorval (30 Wbb) op grond van de Wbb wel of niet bij het Kadaster geregistreerd worden?

    Een bevel als bedoeld in art. 30 wordt wel geregistreerd (zie Aanwijzingsbesluit Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen). Voor een sanering op grond van art. 13 wordt in de Wbb geen Wbb-besluit door de bevoegde overheden voorgeschreven, dus zal er doorgaans geen Wbb-besluit aan te wijzen zijn dat leidt tot registratie. Dit geldt ook voor een gesaneerde situatie waarbij sprake is van een restverontreiniging. Een dergelijke restverontreiniging kan niet bij het Kadaster geregistreerd worden, aangezien slechts die beperkingen moeten worden geregistreerd die uit een beschikking voortvloeien. Meer vragen over de Wkpb.

    Terug naar boven
  •  Wie is bevoegd gezag wanneer zich binnen een inrichting een nieuw geval van bodemverontreiniging voordoet?

    Wie het bevoegd gezag is hangt af van de omstandigheden en de toedracht van het ontstaan van de verontreiniging.
    Van belang is om het volgende af te wegen:

    • Is de verontreiniging ontstaan als gevolg van een ongewoon voorval?
    • Bevindt de verontreiniging zich binnen een inrichting Wet milieubeheer (Wm)?
    • Zo ja, zijn er voor deze inrichting regels en voorschriften gesteld voor het melden en/of opruimen van een verontreiniging?

    Afhankelijk daarvan kunnen er drie, niet scherp omlijnde, kaders van kracht zijn:

    1. Als de verontreiniging is ontstaan door een ongewoon voorval binnen een Wm-inrichting zijn artikel 17.1 en artikel 17.2 Wm van belang. Het bevoegd gezag Wm is leidend en meldt het geval bij het bevoegd gezag Wbb. Als men zelf het gewenste saneringsdoel niet kan bereiken, wordt het bevoegd gezag Wbb verzocht aanwijzingen te geven (artikel 13 en artikel 27, tweede lid, Wet bodembescherming).
    2. Als er geen sprake is van een ongewoon voorval, maar er zijn in de Wm-vergunning bepalingen opgenomen over het melden en opruimen van bodemverontreinigingen, dan is het bevoegd gezag Wm ook leidend. Het bevoegd gezag Wm meldt de verontreiniging bij het bevoegd gezag Wbb. Het bevoegd gezag Wm gaat daarbij na of aan de verplichtingen van de Wbb (zorgplicht artikel 13) wordt voldaan. Ook hier geld dat wanneer men zelf het gewenste saneringsdoel niet kan bereiken, het bevoegd gezag Wbb wordt verzocht aanwijzingen te geven (artikel 13 en artikel 27, tweede lid Wbb).
    3. In alle andere gevallen is vooral het bevoegd gezag Wbb leidend (artikel 13 en 30 Wbb)
    Terug naar boven
  •  Waar is vastgelegd welk bestuursorgaan bevoegd is tot bestuurlijke handhaving?

    "Het derde lid van artikel 95 Wbb geeft aan welke bestuursorganen bevoegd zijn tot bestuursrechtelijke handhaving van artikel 13 Wbb. Het betreft de minister van Infrastructuur en Milieu, gedeputeerde staten, burgemeester en wethouders en de waterkwaliteitsbeheerder. De wet bevat geen voorrangsregeling, zodat méér bestuursorganen tegelijkertijd handhavingsbevoegd kunnen zijn.

    Terug naar boven
  •  Mag grond afkomstig van saneringslocaties worden hergebruikt?

    Ja, mits bij het ontgraven een zorgvuldige partijindeling is gemaakt op basis van de kwaliteit en geen sprake is van menging van sterk verontreinigde met licht verontreinigde grond.

    Voor grond die vrijkomt bij een sanering is meestal in de beschikking ‘instemming saneringsplan’ opgenomen dat de grond afgevoerd moet worden naar een erkende verwerker. Maar het komt ook voor dat deze grond wordt afgevoerd naar een grondbank, wordt ingekeurd en bij voldoende resultaat weer kan worden hergebruikt. Dit is alleen toegestaan wanneer geen sprake is van menging van sterk verontreinigde grond met licht verontreinigde grond. Op grond van art. 28a van de Wbb moet bij het ontgraven van grond een zorgvuldige partij indeling worden gemaakt op basis van de kwaliteit. De saneerder kan hierop aangesproken worden door het bevoegd gezag. Wanneer onzorgvuldig wordt ontgraven kan het volgende worden ondernomen:

    • een melding via Bodemsignaal (het toezichtloket van de VROM- en V&W-inspectie), waarna de inspectie zonodig kan optreden tegen de aannemer en/of milieukundig begeleider.
    • de onzorgvuldig ontgraven grond alsnog in deelpartijen onderzoeken om zo mogelijk onderscheid te maken tussen toepasbare en niet toepasbare grond (kosten hiervoor zijn voor de toepasser).

    Tot slot wordt opgemerkt dat bij een heterogene verontreiniging of bij zeer dunne bodemlagen het niet altijd mogelijk is om partijen gescheiden te ontgraven. Ook blijkt de kwaliteit van ex-situ partijen in veel gevallen schoner te zijn dan de in-situ onderzoeken aantoonden (zie onder andere: Effecten van de invoering van de SCG Regeling Depotkeuring).

    Terug naar boven
  •  Een bestaande (grondwater)verontreiniging heeft zich na 1987 verder verspreid. Heb ik dan met een ander regime te maken?

    Nee, door de verspreiding van een historische mobiele verontreiniging ontstaat er geen nieuw geval van verontreiniging. De sanering moet nog steeds plaatsvinden overeenkomstig artikel 38 Wbb, welke een functionele sanering mogelijk maakt. Zie ook de uitspraken van de Afdeling van de Raad van State van 19 september 2007 (nr 200608353/1) en 14 oktober 2009 (nr 200901167/1/M2).

    Terug naar boven
  •  Hoe ziet de aanhoudingsplicht voor beslissingen op aanvragen om een bouwvergunning uit artikel 52a van de Woningwet er met de komst van de Wabo per 1 oktober 2010 uit?

    Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wabo is de bouwvergunning overgegaan van de Woningwet naar de Wabo en geïntegreerd in de omgevingsvergunning. In artikel 6.2c van de Wabo is neergelegd wanneer een omgevingsvergunning in werking treedt. Een omgevingsvergunning treedt niet eerder in werking dan nadat:

    • met het (deel)saneringsplan is ingestemd, of
    • is vastgesteld dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging ten aanzien waarvan spoedige sanering noodzakelijk is, of
    • een BUS-melding is gedaan en de vijf weken termijn is verstreken.

    De aanhoudingsplicht voor beslissingen op aanvragen om bouwvergunning (art. 52a Woningwet) is in de Wabo in de vorm van een uitgestelde inwerkingtredingsbepaling teruggekomen.

    Terug naar boven
  •  Moet altijd het hele geval in kaart worden gebracht bij het toestaan van een deelsanering?

    Nee, door de wijziging van artikel 40 Wbb is dat niet altijd meer nodig. Sanering wordt vaak in gang gezet in combinatie met bijvoorbeeld bouwactiviteiten. Voorkomen moet worden dat het onderzoek en de sanering zo omvangrijk worden dat de bouwactiviteiten ernstig worden gefrustreerd. Als de situatie het toelaat kan worden volstaan met een beperkte sanering, zo nodig gevolgd door een verder onderzoek naar het geval. Het criterium is of er een onacceptabel risico achterblijft.

    Terug naar boven
  •  Moet er een nieuwe beschikking "ernst & spoed" worden genomen als er na een deelsanering geen acute risico's meer zijn?

    Bij ongewijzigd gebruik hoeft u in de volgende situatie geen actie te ondernemen: er is een deelsanering uitgevoerd op basis van een lokaal onderzoek, waaruit is gebleken dat er geen sprake is van onaanvaardbaar risico buiten het gesaneerde gedeelte. Zodra echter het gebruik wijzigt, bijvoorbeeld van voormalig industriegebied naar nieuwe woonwijk, moet de risicobeoordeling opnieuw worden uitgevoerd. Hierna wordt een nieuwe beschikking afgegeven. In geval van gefaseerde sanering ligt dit anders. In dat geval wordt immers het gehele geval binnen een afgesproken termijn aangepakt. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe beschikking.

    Terug naar boven
  •  Kunnen gemeenten nog wel een nader bodemonderzoek eisen bij de aanvraag van een (bouw)vergunning nu dit met de inwerkingtreding van de Wabo uit de ModelBouwVerordening van de VNG is geschrapt?

    Ja, op grond van artikel 8 lid 4 van de Woningwet (Ww) kunnen gemeenten een (bodem)onderzoek eisen naar de aard en mate van de verontreiniging. In de praktijk worden de vereisten hieraan vaak gelijk gesteld met een nader (bodem)onderzoek op grond van de Wbb. Echter, op grond van de Wbb kunnen alleen provincies en bevoegd gezag gemeenten een zgn. nader (bodem)onderzoek eisen. Artikel 8 lid 4 Ww is echter niet gewijzigd. Hierdoor kan dus nog steeds een onderzoek of zelfs nader onderzoek worden geëist. Nergens is expliciet uitgesloten dat dit niet (meer) mag. Ook in de Regeling Omgevingsrecht (MOR) en BOR (Besluit omgevingsrecht) wordt gesproken over ‘onderzoek(srapport)’ in algemene zin en is het vragen van een nader (bodem)onderzoek dus niet expliciet uitgesloten. Op grond van artikel 2.22 Wabo is het ook nog mogelijk aan de omgevingsvergunning extra voorschriften te verbinden. In de Bouwverordering of het beleid van de gemeente kan dit verder worden ingevuld.

    Terug naar boven
  •  Welk bodemonderzoek wordt gevraagd bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen (Wabo)?

    In de Wabo is de term ‘(bodem)onderzoek’ niet gespecificeerd. Soms kan op basis van een historisch onderzoek al ‘vrijstelling’ worden verleend van een verdergaand bodemonderzoek. Een historisch onderzoek zegt namelijk vaak al iets over het ‘verdacht’ zijn van een locatie (wel of niet aanwezigheid in het verleden van een fabriek). Voor een indicatie van de aard en mate van de verontreiniging zal echter vaak (minimaal) een verkennend onderzoek nodig zijn (NEN 5740). Eventueel kan vervolgens nog een nader onderzoek zoals bedoeld in de Wbb worden gevraagd. Op grond van de Wet bodembescherming is de provincie en een aantal gemeenten hiertoe bevoegd. Zij zullen op basis daarvan ook een beschikking over de ernst en spoed van de verontreiniging nemen. Blijkt deze er niet te zijn, dan treedt de eerder verleende (omgevings)vergunning ook daadwerkelijk in werking.

    Terug naar boven
  •  Wanneer kan er bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen (Wabo) om een bodemonderzoek worden gevraagd?

    Als er een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist, zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub a Wabo, dan is artikel 8 lid 3 van de Woningwet van toepassing (net als voor de inwerkingtreding van de Wabo) en kan er een bodemonderzoek worden geëist indien is voldaan aan de voorwaarden die in dit artikel worden genoemd (zie verder paragraaf 4 uit de modelbouwverordening). Volgens de Woningwet is er een bodemonderzoek vereist indien o.a.:

    • het een bouwwerk betreft waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend (meer dan 2 uur per (werk)dag) mensen verblijven;
    • bouwwerken die de grond raken.
    Terug naar boven
  •  Valt het verwijderen van een asbesthoudende puinlaag onder de Wbb?

    Indien de laag meer dan 50% bodemvreemd materiaal bevat, is de Wbb niet van toepassing. Dit betekent dat voor het ontgraven van een dergelijke puinlaag geen saneringsplan hoeft worden opgesteld. Hoewel niet wettelijk verplicht, wordt in de praktijk vaak door middel van een plan van aanpak melding gedaan van de voorgenomen verwijdering bij een lokale overheidsorganisatie (gemeente of milieudienst).
    In sommige situaties kan het Besluit asbestwegen milieubeheer van toepassing zijn. Volgens dit besluit moet de eigenaar van een weg of erfverharding, die een (gewogen) asbestgehalte van meer dan 100 mg/kg bevat, dit melden bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Daarnaast is de eigenaar van een asbestweg verplicht om maatregelen te nemen. De maatregelen kunnen bestaan uit volledige verwijdering, maar onder bepaalde voorwaarden mag ook worden volstaan met het aanbrengen van een duurzame afschermlaag. Lees meer over het Besluit asbestwegen milieubeheer op de website van Infomil.
    Omdat de ontgraving geen werkzaamheid is als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, is ook de erkenningsregeling Kwalibo niet van toepassing. Dit betekent dat vanuit de wet- en regelgeving geen verplichting is om de uitvoering en milieukundige begeleiding door erkende bedrijven (BRL 6000 en BRL 7000) te laten uitvoeren. Evenmin is de certificering voor SC 530 (Asbestverwijdering) verplicht aangezien het verwijderen van een puinverharding niet onder het Asbestverwijderingsbesluit valt. Hier vindt u meer informatie over asbest.

    Terug naar boven
Geplaatst op: 01-08-2011|Gewijzigd op: 30-11-2011