Als het gaat om duurzaamheid, innovatie en internationaal

Veelgestelde vragen over de circulaire bodemsanering

Antwoorden

  •  Wat is het saneringscriterium?

    Het saneringscriterium omvat een systematiek waarmee kan worden bepaald of de verontreiniging van de bodem zorgt voor een zodanig risico voor mens, plant en dier, dat er spoedig moet worden gesaneerd. De toepassing van deze systematiek leidt bij gelijke omstandigheden tot dezelfde uitkomst. Hierbij speelt niet alleen de functie maar bijvoorbeeld ook de bodemgesteldheid een rol. Het uitgangspunt is dat de systematiek leidt tot een zorgvuldige vaststelling van risico’s. Naarmate de situaties complexer worden, wordt de afweging ingewikkelder en de uitkomst minder voorspelbaar
    Het saneringscriterium bestaat uit drie stappen:

    • In stap 1 wordt vastgesteld of er op de locatie sprake is van een geval van ernstige verontreiniging.
    • In stap 2 wordt voor het geval van ernstige verontreiniging door middel van een standaard risicobeoordeling vastgesteld of er bij het huidige en/of toekomstige gebruik sprake is van onaanvaardbare risico’s voor de mens (humaan), voor het ecosysteem (ecologisch) of uit het oogpunt van verspreiding van verontreiniging. Indien de uitkomst is dat sprake is van onaanvaardbare risico’s, dient de sanering met spoed uitgevoerd te worden of kan stap 3 worden uitgevoerd.

    Stap 3 betreft een locatiespecifieke risicobeoordeling, waarbij door aanvullende modelberekeningen of metingen risico’s beter in beeld worden gebracht. Stap 3 is niet verplicht, maar kan worden uitgevoerd als de initiatiefnemer of het bevoegd gezag dit wenselijk achten. Met stap 3 kan getoetst worden of het resultaat van de standaard risicobeoordeling in stap 2 (‘risico onaanvaardbaar’) door een locatiespecifiek onderzoek tot een andere conclusie leidt of dat het resultaat van stap 2 wordt bevestigd en nader wordt onderbouwd.

    Terug naar boven
  •  Moet ik voor 2006 genomen beschikkingen met de invoering van het saneringscriterium nu herbeschikken?

    Nee, alle beschikkingen die voor 2006 zijn afgegeven waarbij urgentie is vastgesteld, worden aangemerkt als beschikkingen waarvan spoed is vastgesteld.

    Herbeschikken is in principe niet mogelijk wanneer de urgentiebeschikking aangeeft dat binnen 4 jaar moet worden gestart met saneren. Als dit voor de saneerder een probleem oplevert moet worden bekeken of door het treffen van tijdelijke beveiligingsmaatregelen uitstel mogelijk is tot een voor hem gunstiger moment. Verder kunnen natuurlijk, indien toepasbaar, de mogelijkheden worden benut van een gefaseerde sanering of een deelsanering.

    Herbeschikken is wel mogelijk voor ernstige verontreinigingen waarbij de urgentie is vastgesteld tussen 4 en 10 jaar (dus na 1 januari 2010). Dit kan plaatsvinden op verzoek van de saneerder.

    Het is natuurlijk mogelijk dat er een beschikking is afgegeven die een urgentie aangeeft dat binnen 4 jaar moet worden gesaneerd, die destijds alleen was bepaald op basis van maatschappelijke criteria. In dat geval kan het gewenst zijn nog eens te bekijken of de omstandigheden nog hetzelfde zijn, of dat een andere afweging in de huidige situatie mogelijk is. Daarbij moet er een zorgvuldige belangenafweging plaatsvinden. Als zuiver milieuhygiënische overwegingen leiden tot andere besluitvorming, moet zorgvuldig worden omgegaan met de belanghebbenden. Op basis van de bestaande beschikking is mogelijk de verwachting ontstaan dat de overheid de aanpak van de verontreiniging op het aangekondigde moment zal starten. Contact en overleg met betrokkenen is dus noodzakelijk bij de besluitvorming over de aanpak en het eventueel opnieuw beschikken van het saneringstijdstip.

    Terug naar boven
  •  Is de lijst van kwetsbare objecten in de circulaire een uitputtende lijst en waar leg je vast dat het om een kwetsbaar object gaat?

    Nee, in paragraaf 6.2.1 van bijlage 2 van de circulaire wordt een aantal kwetsbare objecten omschreven, maar deze lijst is niet uitputtend. Gemeenten en provincies kunnen te berschermen kwetsbare objecten vastleggen. Het gaat hierbij in principe om de aangewezen gebieden uit de stroomgebiedsbeheerplannen (Kaderrichtlijn Water), maar ook om de te beschermen grondwaterfuncties zoals drinkwater- en industriële onttrekkingen (Grondwaterrichtlijn). Het bevoegd gezag Wbb heeft de mogelijkheid om hiernaast specifieke, bijvoorbeeld kleinschaligere, kwetsbare objecten aan te wijzen en dit uitdrukkelijk vast te leggen in haar beleid. Vervolgens moet dan worden aangetoond dat de verspreiding van de verontreiniging van het grondwater tot onaanvaardbare risico’s of hinder zal leiden. Zo zal een woonwijk in het algemeen niet als een kwetsbaar object gelden als het grondwater onder die wijk verontreinigd is. Dit kan echter anders liggen als de grondwaterstandin die woonwijk hoog is en de verontreiniging gemakkelijk tot hinder kan leiden. Voor het vaststellen van het criterium dient een inventarisatie van kwetsbare objecten plaats te vinden binnen het bodemvolume dat wordt ingesloten door de interventiewaarde contour in het grondwater en in een straal van 100 meter er om heen.

    Terug naar boven
  •  Is het volumecriterium om vast te kunnen stellen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging ook van toepassing op asbest?

    Nee, voor asbest is het volumecriterium niet van toepassing. Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest in de bodem indien de gemiddelde concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. (gewogen). Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 57077.
    Bij de overige stoffen is het volumecriterium wel van toepassing. Voor deze stoffen geldt dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging indien voor één of meerdere stoffen de interventiewaarde wordt overschreden in een hoeveelheid van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van een bodem- of sedimentverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging.

    Terug naar boven
  •  Kan het voorkomen dat bij gehalten onder de interventiewaarden toch sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging?

    In enkele specifieke situaties kan bij gehalten onder de interventiewaarden ook sprake zijn van een geval van ernstige verontreiniging, omdat sprake kan zijn van (actuele) humane risico’s. Dit geldt voor de zogenaamde gevoelige functies:

    • moestuin/volkstuin
    • plaatsen waar vluchtige verbindingen aanwezig zijn in het grondwater in combinatie met hoge grondwaterstanden en/of in de onverzadigde bodem onder bebouwing
    • plaatsen waar sprake is van gewasconsumptie en waar een verontreiniging met PCB's in de contactzone aanwezig is.

    Voor deze situaties verdient het dus toch aanbeveling om de standaard risicobeoordeling middels het computerprogramma Sanscrit te doorlopen.

    Terug naar boven
  •  Is het verplicht om stap 3 uit het saneringscriterium te doorlopen en welke methoden voor de risicobeoordeling zijn wel of niet toegestaan?

    Nee, stap 3 is niet verplicht, De stappen 1 en 2 betreffen een standaard risicobeoordeling en dienen altijd uitgevoerd te worden. Indien uit de standaard risicobeoordeling volgt dat (een deel van) de aanwezige verontreiniging bij het huidige of toekomstige gebruik onaanvaardbare risico’s oplevert kan er, gelet op de mogelijke overschatting van de risico’s in de toegepaste methodieken in stap 2, aanleiding zijn te verwachten dat een meer specifieke risicobeoordeling voor het betreffende geval van ernstige verontreiniging tot een andere conclusie leidt. De initiatiefnemer kan er voor kiezen om een dergelijke locatiespecifieke risicobeoordeling (stap 3) aansluitend aan de standaard risicobeoordeling uit te voeren. Ook het bevoegd gezag Wbb kan aangeven dat een locatiespecifieke beoordeling plaats moet vinden, indien zij dat noodzakelijk acht met het oog op de besluitvorming.
    De derde stap bestaat uit aanvullende metingen en/of aanvullende modelberekeningen. In de modelberekeningen kunnen modelmatig berekende gehalten worden vervangen door op de locatie gemeten gehalten. De derde stap wordt daarmee meer locatiespecifiek. Het is niet noodzakelijk om metingen of aanvullende modelberekeningen voor elk onderdeel van de generieke modelberekening te verrichten. De aanvullende metingen en/of aanvullende modelberekeningen kunnen worden gericht op kritische blootstellingroutes of onderdelen daarvan.
    Er zijn nog geen gevalideerde meetmethoden of richtlijnen vastgesteld die dienen te worden gebruikt voor het uitvoeren van deze metingen in stap 3. Het RIVM heeft voor de locatiespecifieke beoordeling voor humane risico’s wel een aantal meetmethoden ontwikkeld of in ontwikkeling die kunnen worden gebruikt.
    Voor de locatiespecifieke beoordeling van ecologische risico's kan een keuze gemaakt worden tussen de twee opties:

    1. een gestructureerde maatschappelijke afweging in de vorm van een overleggroep met betrokkenen volgens de NEN 5737 om na te gaan of het zinvol is om vervolgonderzoek uit te voeren en/of sanering- en beheersmaaregelen zinvol en noodzakelijk zijn;
    2. direct kiezen voor vervolgonderzoek in de vorm van een Triade-onderzoek of monitoring. Hiervoor kan de Handreiking 'TRIADE 2001: Locatiespecifiek ecologisch onderzoek' van het RIVM of de procesmatige aanpak volgens de NEN 5737. Het is aan de initiatiefnemer en het bevoegd gezag om tot overeenstemming te komen over de geschiktheid van de te gebruiken methode.
    Terug naar boven
  •  Per 1 oktober 2008 en 1 april 2009 is de Circulaire bodemsanering gewijzigd. Kent de gewijzigde Circulaire overgangsrecht en blijven voor deze datum uitgevoerde bodemonderzoeken bruikbaar?

    Nee, de Circulaire bodemsanering kent geen overgangsrecht. Dit betekent dat beschikkingen ernst en spoed die zijn afgegeven vóór 1 oktober 2008, respectievelijk 1 april 2009 geldig blijven en niet hoeven te worden gewijzigd. Ook een beschikking instemming saneringsplan van vóór 1 oktober 2008, die voor de terugsaneerwaarden bijvoorbeeld verwijst naar de oude Bodemgebruikswaarden (BGW’s), blijft geldig. Dit geldt ook indien de start van de sanering plaatsvindt na 1 oktober 2008. Wel doet de saneerder er goed aan om bij een sanering wel degelijk rekening te houden met de nieuwe (interventie)waarden, omdat bij het evaluatieverslag beoordeeld wordt of er na sanering gebruiksbeperkingen of maatregelen in het belang van de bescherming van de bodem nodig zijn.
    Beschikkingen die worden genomen gaan in principe uit van de op dat moment geldende Circulaire bodemsanering. Dat wil zeggen dat wordt getoetst aan de op dat moment geldenden saneringscriterium en de op dat moment geldende interventiewaarden. In plaats van de BGW’s wordt vanaf 1 oktober 2008 voor de terugsaneerwaarde en kwaliteitseis voor leeflaag en aanvulgrond gebruikgemaakt van de op het Besluit bodemkwaliteit afgestemde waarden.

    Omgang met oude bodemonderzoeken

    Het zal veel voorkomen dat bij na 1 oktober 2008 respectievelijk 1 april 2009 te nemen beschikkingen (deels) gebruikgemaakt wordt van voor die datum uitgevoerde bodemonderzoeken. In deze bodemonderzoeken zal nog getoetst zijn aan de destijds geldende interventiewaarden en is voor het bepalen van de spoed (risicobeoordeling) uitgegaan van het destijds geldende saneringscriterium (toenmalige versie van Sanscrit). Standpunt van het Rijk is dat deze bodemonderzoeken, mits nog representatief, gewoon in behandeling kunnen worden genomen (lees: niet opnieuw hoeven te worden uitgevoerd). Wel dienen de analyseresultaten hertoetst te worden aan de thans geldende interventiewaarden (gevalsdefinitie) en dient de risicobeoordeling mogelijk herzien te worden met de gewijzigde versie van Sanscrit.

    Wijzigingen interventiewaarden voor drins en DDT’s per 1 april 2009

    Naar aanleiding van knelpunten die zich in de praktijk hebben voorgedaan heeft het ministerie van VROM besloten de interventiewaarde voor drins, DDE en DDT te herzien. Indien tussen 1 oktober 2008 en 1 april 2009 beschikkingen zijn genomen waarbij op basis van deze stoffen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging, terwijl op basis van de herziene interventiewaarden dit niet meer het geval is, kan de beschikkinghouder het bevoegd gezag vragen te overwegen om de beschikking te herzien.

    Terug naar boven
  •  Zijn bij de risicobeoordeling de normen voor lood naar beneden bijgesteld?

    Uit recente onderzoekgegevens blijkt dat er een lagere opname van lood via voedingsgewassen is dan voorheen berekend. Bij bodemfuncties waarbij sprake is van gewasconsumptie (zoals ‘wonen met tuin’) betekent dit, dat pas bij een hogere loodconcentratie in de bodem de blootstelling kritisch wordt en tot effecten bij de mens kan leiden. Daarnaast is door EFSA/JECFA (internationaal onderzoeksorganisatie) aangegeven dat er geen veilige waarde is voor de blootstelling van kinderen aan lood. Gezien het EFSA/JECFA advies is het zeer onwenselijk om thans hogere loodconcentraties in de bodem te hanteren als grens voor onaanvaardbare humane risico's. De werkgroep NOBOWA deelt deze opvatting. Het gevolg hiervan is dat de concentratie aan lood in de bodem waarbij sprake is van onaanvaardbare humane risico's voor de bodemfunctie ‘wonen met tuin’ in stap 2 ongewijzigd blijft. Wel is in de Circulaire bodemsanering de mogelijkheid geboden om op basis van een locatiespecifieke beoordeling (stap 3) rekening te houden met locatiespecifieke kenmerken, zoals bijvoorbeeld het hanteren van een factor voor de biobeschikbaarheid van lood van 40% bij stedelijke ophooglagen, toemaakdekken en hiermee vergelijkbare bodems waarvan kan worden aangetoond dat de loodverontreiniging een lage humane biobeschikbaarheid heeft. Het bevoegd gezag heeft in stap 3 ook de mogelijkheid om rekening te houden met beperkte gewasconsumptie uit eigen tuin, een gebuiksbeperking aan te geven (afraden van consumptie uit eigen tuin) of ui te gaan van de daadwerkelijke opname van lood door moestuingewassen op basis van gewasmetingen.

    Terug naar boven
  •  Hoe is het bodemsaneringsbeleid afgestemd op het hergebruiksbeleid van grond en baggerspecie, zoals dat geregeld wordt in Besluit bodemkwaliteit?

    Bij immobiele verontreinigingen wordt de saneringdoelstelling primair bepaald door de geschiktheid van de bodem voor de aanwezige of de voorgenomen functie cq het gebruik van de bodem. Bij voorkeur wordt daar door het bevoegd gezag Wbb aangesloten bij het Besluit bodemkwaliteit (Bbk).
    Hierbij moet onderscheid gemaakt worden tussen situaties waarbij het Bbk volledig van toepassing is (aanbrengen van aanvulgrond en leeflagen) en waarbij het wenselijk is dat op het Bbk aangesloten wordt (bijv. vaststellen terugsaneerwaarde).
    Voor aanvulgrond en leeflagen geldt dan ook dat de kwaliteitseis bepaald wordt door het geldende generieke (dubbele toets van bodemfunctieklasse én bodemkwaliteit van de omgeving) of gebiedsspecifieke beleid (Lokale Maximale Waarden). Gemotiveerd afwijken is niet toegestaan.
    Voor de terugsaneerwaarden geldt dat bij voorkeur wordt aangesloten op de bodemfunctieklasse (generiek beleid) danwel de Lokale Maximale Waarden (gebieddspecifiek beleid). Het bevoegd gezag Wbb mag gemotiveerd kiezen voor een hiervan afwijkende terugsaneerwaarde, bijvoorbeeld op basis van de toekomstige bestemming of de daadwerkelijke functie in plaats van de functiekaart.
     
    Hoewel het toepassen van aanvulgrond op een bodemsaneringslocatie onder (art 35 van) het Bbk valt en daarmee het bevoegd gezag Bbk een toezichthoudende en handhavende rol geeft, is het niet wenselijk dat twee verschillende instanties (bevoegd gezag Wbb en bevoegd gezag Bbk) toezicht houden op hetzelfde aspect tijdens de bodemsanering. Het ligt voor de hand dat het bevoegd gezag Wbb ook toezicht houdt op het aanbrengen van aanvulgrond op de saneringslocatie. Het verdient aanbeveling dat beide bevoegde overheden hier onderling goede afspraken over maken.

    Terug naar boven
  •  Welke terugsaneerwaarden gelden als een gemeente nog gebruik maakt van een bodemkwaliteitskaart die is vastgesteld op grond van de Vrijstellingsregeling grondverzet?

    Voor gebieden waar een bodemkwaliteitskaart en -beheerplan is opgesteld op grond van de Vrijstellingsregeling grondverzet mag voor de duur waarvoor de bodemkwaliteitskaart geldt, tot maximaal 5 jaar na inwerkingtreding van het Besluit bodemkwaliteit (Bkk), nog volgens de Vrijstellingsregeling grondverzet worden gewerkt. In dat geval wordt voor het hergebruik van grond en baggerspecie geen gebruik gemaakt van het generieke of gebiedsspecifieke kader uit het Bbk. In dat geval zal de betreffende gemeente in de meeste gevallen nog geen bodemfunctiekaart onder het Bbk hebben vastgesteld.
    Bij het ontbreken van een bodemfunctiekaart dient volgens de circulaire de achtergrondwaarde (AW2000) te worden gehanteerd als terugsaneerwaarde. Het bevoegd gezag Wbb heeft echter een eigen motiveringsplicht bij het vaststellen van de saneringsdoelstelling, waardoor een afwijkende doelstelling voor een concreet geval of specifiek gebied tot de mogelijkheden behoort. Met het oog op het gewenste duurzame en functiegerichte bodemgebruik van het Bbk ligt het voor de handom ook in deze gevallen gebruik te maken van de generieke bodemfunctieklassen en bijbehorende waarden. Bij het ontbreken van een bodemfunctiekaart kan aan de handvan het (toekomstig) gebruik van de locatie de meest passende functieklasse en bijbehorende maximale waarden worden bepaald.
    Indien een bevoegd gezag Wbb overweegt om andere terugsaneerwaarden te hanteren, die niet direct op de functie zijn gebaseerd (bijvoorbeeld gebaseerd op een bestaande bodemkwaliteitskaart), dan is het van belang om voor de gekozen waarden na te gaan wat de risico's zijn van de actuele bodemkwaliteit op het huidige of toekomstige gebruik (functie) van een gebied of locatie. Hiervoor kan het bevoegd gezag (een niet verplicht gedeelte) uit de Risicotoolbox bodem (RTB) gebruiken. Met behulp van die toetsing kan een bevoegd gezag op grond van de beoogde terugsaneerwaarde (bijv. zone/omgevingskwaliteit) bepalen of dit gezien het specifieke gebruik een goed gekozen terugsaneerwaarde is.

    Terug naar boven
  •  Waar zijn de streef- en interventiewaarden voor grond en grondwater vastgelegd? Wat is de status van de streefwaarden voor grond?

    De streef- en interventiewaarden voor grondwater en de gewijzigde interventiewaarden voor grond zijn sinds 1 oktober 2008 opgenomen in bijlage 1 van de Circulaire bodemsanering. De achterliggende wetenschappelijke onderbouwing is te lezen in het NOBO-rapport.

    De streefwaarden voor grond zijn niet langer opgenomen in de circulaire zelf, maar alleen nog in het NOBO-rapport. Bij milieuhygiënisch bodemonderzoek worden de streefwaarden vervangen door de Achtergrondwaarde uit tabel 1 van bijlage B Regeling bodemkwaliteit.

    De streefwaarden voor grond blijven alleen van belang in het kader van de zorgplicht (artikel 13 Wbb), bij nieuwe gevallen van bodemverontreiniging. Als terugsaneerwaarde wordt hier vaak de streefwaarde, of in het geval dat een verontreiniging verhoogd voorkomt (bijvoorbeeld door een andere oorzaak of van natuurlijke herkomst is) een lokale achtergrondwaarde, gehanteerd.

    Terug naar boven
  •  Hoe kan worden omgegaan met stoffen die niet genormeerd zijn?

    In bijlage 6 van de Circulaire bodemsanering is een richtlijn voor het omgaan met niet-genormeerde stoffen opgenomen. Het gaat hierbij om stoffen die slechts incidenteel als bodemverontreiniging worden aangetroffen en waarvoor in de circulaire bodemsanering en regeling bodemkwaliteit geen normen (interventiewaarden, indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging (INEV’s), achtergrondwaarden grond of streefwaarden grondwater) vermeld zijn. Bij het ontbreken van deze normen is niet duidelijk of sprake is van een bodemverontreiniging en/of sprake is van ernst en spoed. Deze richtlijn geeft voor deze stoffen handvaten.

    Terug naar boven
  •  Zowel de interventiewaarden als de Maximale Waarden uit het Besluit bodemkwaliteit zijn gebaseerd op risico’s. Wat zijn de verschillen in de grondslag van beide normwaarden?

    Het verschil in grondslag is dat de interventiewaarden en het saneringscriterium gebaseerd zijn op onaanvaardbare risico’s en dat de Maximale Waarden uit het Besluit bodemkwaliteit gebaseerd zijn op keuzes voor het duurzame geschiktheidsniveau van de bodemkwaliteit.
    De interventiewaarden droge bodem zijn gebaseerd op (onaanvaardbare) risico’s voor de mens en voor het ecosysteem. Het saneringscriterium houdt verder rekening met risico’s voor de mens, het ecosysteem en verspreiding naar grond- en oppervlaktewater. Boven het risiconiveau van het saneringscriterium noemt men de risico’s ‘onaanvaardbaar’. Er moet met spoed worden gesaneerd.
    In het Besluit bodemkwaliteit wordt verwezen naar het generieke en gebiedsspecifieke toetsingskader. Voor het generieke toetsingskader zijn landelijke keuzes gemaakt voor het duurzame beschermingsniveau waarbij de bodemkwaliteit blijvend geschikt is voor de betreffende functie. Er zijn generieke Maximale Waarden voor wonen en voor industrie. Binnen het gebiedsspecifieke toetsingskader mag het bevoegd gezag, binnen een democratisch proces, zelf kiezen voor het beschermingsniveau waarbij zij de bodem lokaal geschikt acht voor de betreffende functie. Dit beschermingsniveau mag liggen tussen het niveau van de Achtergrondwaarden en ‘onaanvaardbare risico’s’ voor de betreffende bodemfunctie. Het gebruik van de Risicotoolbox voor landbodems is verplicht, om het risiconiveau inzichtelijk te maken.
    Meer informatie over de onderbouwing van en verschillen tussen de bodemnormen is te lezen in de rapportage 'Ken uw (water)bodemkwaliteit, de risico’s inzichtelijk'.

    Terug naar boven
  •  Wat zijn de belangrijkste wijzigingen in de Circulaire bodemsanering in april 2012?

    Op 3 april 2012 is de gewijzigde Circulaire bodemsanering 2009 in de Staatscourant geplaatst en één dag na de publicatie in werking getreden. De belangrijkste wijzigingen zijn hier voor u op een rij geplaatst. Voor meer informatie over de beleidsmatige achtergrond van de wijzigingen, verwijzen wij u naar de begeleidende brief van het ministerie van I&M aan de bevoegde overheden Wbb.
    Terug naar boven
Geplaatst op: 01-08-2011|Gewijzigd op: 17-11-2011