Als het gaat om duurzaamheid, innovatie en internationaal

Veelgestelde vragen over bodembescherming in het Activiteitenbesluit

Antwoorden

  •  Wat wordt verstaan onder gelijkwaardige voorzieningen?

    In art. 1.8 van het besluit wordt geregeld dat een alternatieve maatregel ten minste een gelijkwaardige voorziening is. In de toelichting bij het besluit is vastgesteld dat vier weken voor aanleg van een alternatief de inrichting meld dat er een alternatief gaat worden toegepast. Het bevoegd gezag heeft vervolgens een termijn van acht weken om op het verzoek tot aanleg alternatief te beslissen. Het bevoegd gezag mag deze termijn eenmaal verlengen met maximaal zes weken. Deze procedure is gekoppeld aan artikel 8.40a van de Wet milieubeheer zoals die geldt per januari 2008.

    Terug naar boven
  •  Welke werkzaamheden vallen onder welk normdocument en welke artikelen uit het Activiteitenbesluit zijn daarop van toepassing?

    In de navolgende tabel is weergegeven naar welke normdocumenten de Regeling uitvoeringskwaliteit (regeling bodemkwaliteit nu) bodembeheer verwijst bij de verschillende werkzaamheden. De kolom artikel verwijst naar de artikelen uit de regeling.

    Artikel Activiteit/werkzaamheid Normdocument
    2.1 Keuring vloeistofdichte vloeren of verhardingen CUR/PBV-Aanbeveling 44
    2.2 Installeren/plaatsen grondwaterpeilbuizen BRL SIKB 2000, AS SIKB 2000 en VKB-protocol 2001
    2.2 Bemonstering van grondwaterpeilbuizen BRL SIKB 2000, AS SIKB 2000 en VKB-protocol 2002
    2.2 Analyse van grond(water) AS 3000 met bijbehorende protocollen
    3.25 Aanleg van vloeistofdichte vloer of verharding BRL 2319, 2362, 2371, 2372
    3.26 Aanleg van geomembraanbaksysteem BRL K908
    3.34 Uitvoeren, installeren en repareren van ondergrondse opslagtanks BRL K903
    3.34, 3.36 Uitvoeren van bodemweerstandsmeting BRL K903
    3.34, 3.36 Aanbrengen en herstellen van kathodische bescherming BRL K903
    3.35, 3.38 Keuring ondergrondse opslagtanks KC 106
    3.35 Controle op water en bezinksel en elektrische geleidbaarheid en beoordelen zuurgraad KC 102
    3.35 Inwendige beoordeling ondergrondse opslagtanks KC 105
    3.35 Ondergrondse opslagtanks op dichtheid controleren KC 104
    3.36 Controle van kathodische bescherming AP 08
    3.36 Uitvoeren van een stroomopdrukproef KC 103
    3.37 Verwijderen en onklaar maken van een ondergrondse opslagtank en vullen met inerte vulmassa BRL K902 en BRL K904
    3.37 Inwendig reinigen van een ondergrondse opslagtank BRL K905
    Terug naar boven
  •  Wat is het keuringsregime bij vloeistofdichte vloeren?

    Allereerst is een keuring alleen verplicht wanneer op grond van een artikel uit de regeling een vloeistofdichte vloer of verharding verplicht is en ook wanneer een inrichtinghouder keuzevrijheid had en heeft besloten om een vloeistofdichte vloer of verharding aan te leggen.

    Nieuw aan te leggen vloeren moeten direct na aanleg gekeurd worden, met uitzondering van vloeren die zijn aangelegd door bedrijven die zijn erkend op grond van Kwalibo. In het uitzonderingsgeval moet de eerste keuring binnen zes jaar na aanleg worden uitgevoerd. Voor bestaande vloeistofdichte vloeren of verhardingen gelden uitgebreide overgangsbepalingen die in hoofdstuk zes van de regeling zijn opgenomen. Zie verder de Regeling, artikel 2.1 en verder.Terug naar boven
  •  Wanneer moet een onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de bodem?

    Dit is aangegeven in artikel 2.11 van het Besluit.
    Feitelijk is hier niets in veranderd, alleen de benoeming en afdwingbaarheid zijn verbeterd. Er zijn een drietal momenten aan te wijzen wanneer een bodemonderzoek verplicht is.

    1. artikel 2.11 onder 1 wanneer een inrichting wordt opgericht en binnen die inrichting worden bodembedreigende activiteiten uitgevoerd.
    2. artikel 2.11 onder 2 wanneer een inrichting of activiteit binnen een inrichting zodanig wijzigt dat de actuele bodemkwaliteit bekend moet zijn.
    3. artikel 2.11 onder 3 wanneer een inrichting of bodembedreigende activiteit wordt beëindigd.

    NB De onderzoeken en rapporten worden uitgevoerd/opgesteld door een persoon of een instelling die daartoe beschikt over een erkenning op grond van het Besluit uitvoeringskwaliteit bodembeheer.

    Ad 1: Het onderzoek richt zich uitsluitend op de bodembedreigende stoffen en op de plaatsen waar bodembedreigende activiteiten plaats (gaan) vinden. De onderzoeksresultaten moeten uiterlijk drie maanden na oprichten van de inrichting bij het bevoegd gezag zijn ingediend. Een opzet voor een nulsituatie onderzoek is te vinden in de ontwerp NEN-5740.

    Ad 2: dit is een maatwerkvoorschrift, afhankelijk van de aard van de verandering kan het bevoegd gezag besluiten om een verplichting op te leggen tot het uitvoeren van een bodemonderzoek (zie ook de toelichting op het besluit in paragraaf 13.6). Dit onderzoek dient er toe om vast te stellen wat de actuele kwaliteit van de bodem is voordat die kwaliteit kan worden beïnvloed door de nieuwe activiteit. Vergeet in het maatwerkvoorschrift geen redelijke termijnen op te nemen.

    Ad 3: binnen zes maanden na beëindiging van een inrichting waar bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden moet een rapport met de resultaten van een onderzoek naar de bodemkwaliteit aan het bevoegd gezag zijn toegezonden. Als verbijzondering van artikel 2.11 onder 2 is bepaald dat bij de beëindiging van het opslaan van vloeibare brandstoffen altijd een onderzoek naar de bodemkwaliteit moet worden uitgevoerd. Ook in deze gevallen moet de rapportage met de resultaten van dat onderzoek binnen zes maanden aan het bevoegd gezag worden gezonden.

    Terug naar boven
  •  Wanneer is er sprake van herstelplicht van de bodem?

    Wanneer uit een bodemonderzoek blijkt dat de bodem als gevolg van de activiteiten binnen de inrichting is gewijzigd ten opzichte van de kwaliteit van de bodem bij de oprichting of de verandering van de inrichting dan moet de bodemkwaliteit binnen zes maanden worden hersteld.

    Uitgangspunt in de regelgeving is dat de bodem afdoende wordt beschermd tegen bodembedreigende activiteiten. Wanneer uit onderzoek blijkt dat de genomen maatregelen of voorzieningen om bodembedreiging tegen te gaan niet, afdoende, hebben gewerkt dan is feitelijk sprake van een overtreding met mogelijk economisch gewin. Om tot een verwaarloosbaar bodemrisico te komen hadden andere maatregelen of voorzieningen toegepast moeten worden. Door de onjuiste keuze is de kwaliteit van de bodem veranderd, in negatieve zin, en dat had voorkomen kunnen worden bij een juiste keuze van maatregel en of voorziening.

    Terug naar boven
  •  Er is een onderzoek uitgevoerd na beëindiging van een bodembedreigende activiteit, maar er is in het verleden nooit een onderzoek uitgevoerd naar de bodemkwaliteit. Waaraan moet het onderzoek nu getoetst worden?

    In artikel 2.11 onder 5b van het activiteitenbesluit is vastgelegd dat dan getoetst moet worden aan de in het Besluit bodemkwaliteit bedoelde achtergrondwaarden.

    In het Besluit bodemkwaliteit zijn de achtergrondwaarden gedefinieerd als de bij regeling van Onze Ministers vastgestelde gehalten aan chemische stoffen voor een goede bodemkwaliteit waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingbronnen. In Bijlage B van de regeling bodemkwaliteit zijn deze waarden voor een standaard bodem vastgelegd.

    Terug naar boven
  •  Waarom kan gekozen worden voor een aanvaardbaar bodemrisico?

    Het met bodembeschermende voorzieningen en maatregelen realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico vormt het uitgangspunt van het nationale bodembeleid. Er zijn situaties denkbaar waarbij het bereiken van een verwaarloosbaar bodemrisico binnen een bestaande inrichting alleen mogelijk is met zeer kostbare voorzieningen die niet in evenredige verhouding staan tot het te bereiken milieudoel. Voor dergelijke situaties geeft de NRB de ruimte om in te stemmen met een aanvaardbaar bodemrisico. De regel is dat pas nadat de onredelijkheid van verwaarloosbaar bodemrisico afdoende is aangetoond, gekeken kan worden welk aanvaardbaar bodemrisico te behalen is. De keuze tussen verwaarloosbaar en aanvaardbaar kan niet uitsluitend een bedrijfseconomische afweging zijn. Enkel vanwege het feit dat het treffen van maatregelen en voorzieningen die leiden tot een aanvaardbaar bodemrisico goedkoper is dan bij een verwaarloosbaar bodemrisico is dan ook geen keuze. Op aanvaardbaar bodemrisico kan dus alleen worden teruggevallen indien het bereiken van een verwaarloosbaar bodemrisico onredelijk hoge investeringen van een inrichting verlangt. Dit moet worden aangetoond met de procedure en onder de voorwaarden als benoemd in artikel 6.10 van het activiteitenbesluit.

    Terug naar boven
  •  Welke bodembeschermende maatregelen gelden voor rwzi’s?

    In het voorjaar 2010 is het STOWA-rapport 2010-04 ‘Bodembescherming op rwzi’s’ (hierna te noemen het ‘STOWA-rapport’) gepubliceerd. Het rapport gaat in op bodembeschermende maatregelen en voorzieningen die getroffen kunnen worden op rwzi’s.
     
    Het STOWA-rapport is gebruikt voor het opstellen van artikel 3.5d van paragraaf 3.1.4a van het Barim. In artikel 3.5d wordt verwezen naar de ministeriële regeling. In artikel 3.4c van het Rarim bevat de eisen  ten aanzien van bescherming van de bodem op rwzi’s, die afkomstig zijn uit het STOWA-rapport.
    Rwzi-activiteiten, voor zover het de water- en sliblijn betreft, zijn in de NRB 2012 ingedeeld in een aparte activiteitencategorie. Voor de voorzieningen en maatregelen wordt in de NRB 2012 verwezen naar de ministeriële regeling.
     
    De voorgeschreven voorzieningen en maatregelen worden door vergunninghouders en vergunningverleners sinds het verschijnen van het STOWA-rapport geïmplementeerd op rwzi’s. In de praktijk blijken de voorschriften van de eerder genoemde ministeriële regeling niet door eenieder op dezelfde wijze te worden uitgelegd. Daarom is in 2012, door een werkgroep van IPO-leden en vertegenwoordigers van de Vereniging van Zuiveringbeheerders, een Handreiking opgesteld.
     
    In de handreiking worden de voorschriften uitgelegd, er zijn voorbeelden opgenomen en er worden alternatieven aangedragen voor grondwatermonitoring.

    Terug naar boven
Geplaatst op: 09-05-2011|Gewijzigd op: 17-11-2011