Als het gaat om duurzaamheid, innovatie en internationaal

Veelgestelde vragen over Besluit uniforme saneringen (BUS)

Antwoorden

  •  Waar is de regelgeving over het BUS te vinden?

    De regelgeving over het BUS is te vinden in art. 39b Wbb, in het Besluit uniforme saneringen, in de Regeling uniforme saneringen en in de Handreiking uniforme saneringen. De meest actuele tekst van het Besluit en de Regeling is te vinden via www.wetten.nl. Op rijksoverheid.nl zijn de Handreiking, de meldingsformulieren en evaluatieverslagen te downloaden.Terug naar boven
  •  Wie beslist over het volgen van de BUS-procedure? De saneerder of het bevoegd gezag?

    De saneerder beslist. De saneerder is vrij om te kiezen voor de procedure van het saneringsplan of als de sanering onder de BUS-criteria valt, voor het doen van een BUS-melding. Wanneer de saneerder een BUS-melding doet, heeft het bevoegd gezag geen mogelijkheid om de melding niet te accepteren (tenzij de melding niet in overeenstemming is met BUS). Het bevoegd gezag heeft ook geen mogelijkheid om de melding als een saneringsplan te beschouwen in de zin van art. 39 Wbb. Omgekeerd is de saneerder ook vrij om te kiezen voor de procedure van het saneringsplan als de sanering onder de BUS-criteria valt.

    Terug naar boven
  •  Hoe zit het met de geldigheidstermijn van een BUS melding en hoe lang mag een BUS sanering duren?

    Geldigheidstermijn BUS melding

    De geldigheidstermijn van een BUS-melding (d.w.z. de termijn tussen indienen van de melding en de daadwerkelijke start) bedraagt één jaar. Een extra verlenging van deze termijn is niet mogelijk. Starten na deze termijn van één jaar betekent dat opnieuw een BUS melding moet worden ingediend.

    Duur van een BUS sanering

    In artikel 39b, eerste lid, van de Wbb is een definitie gegeven van uniforme sanering, namelijk het betreft een eenvoudige, gelijksoortige sanering van korte duur. In de artikelen van het Besluit en de Regeling is er voor gekozen de term ‘van korte duur’ niet in te vullen met een strikte maximale termijn. De saneringswerkzaamheden dienen slechts binnen een redelijke termijn te zijn afgerond. Hier vallen ook alle bijkomende werkzaamheden onder, zoals het opruimen van voor de sanering ingerichte depots. Het is toegestaan dat de werkzaamheden in verschillende fasen worden uitgevoerd.

    In de algemene toelichting bij de Regeling uniforme saneringen zijn wel richttermijnen opgenomen. De richttermijn voor de afronding van de saneringswerkzaamheden betreft voor de categorieën immobiel, tijdelijk uitplaatsen en projectgebied De Kempen circa zes maanden. Voor de categorie mobiel is dat, in geval van een grondsanering circa één maand en in geval van een grondwatersanering circa twaalf maanden. De richttermijn voor de afronding van de saneringswerkzaamheden wordt gerekend vanaf het tijdstip van de feitelijke aanvang van de sanering. Er kan dus niet gehandhaafd worden op het niet behalen van een richttermijn.

    Terug naar boven
  •  Wat is het verschil tussen een "immobiele verontreinigingssituatie" en een "mobiele verontreinigingssituatie" binnen BUS en welke stofgroepen zijn toegestaan?

    Een immobiele verontreinigingssituatie wordt gedefinieerd als een situatie waarbij de in de bodem aanwezige verontreinigende stoffen zich niet (significant) hebben verspreid naar het (freatisch) grondwater. Als maximum hiervoor wordt de tussenwaarde (T-waarde) gehanteerd van verontreinigende stoffen in de bodem op de saneringslocatie. De tussenwaarde is het rekenkundig gemiddelde van de streefwaarde en de interventiewaarde van een verontreinigende stof (ofwel T = (I+S) / 2). Zie ook artikel 1.1 van de Regeling.
    NB: voorwaarde voor de categorie immobiel of tijdelijk uitplaatsen is dat het moet gaan om stof(fen) of stofgroep(en), die zijn genoemd in Bijlage 6 van de Regeling onder de categorie immobiel of tijdelijk uitplaatsen. Zie ook artikel 3.1.1, sub e van de Regeling.

    Een mobiele verontreinigingssituatie betreft een situatie waarbij de in de bodem op de saneringslocatie aanwezige stoffen zich tot meer dan de tussenwaarde hebben verspreid naar het grondwater. De tussenwaarde is het rekenkundig gemiddelde van de streefwaarde en de interventiewaarde van een verontreinigende stof (ofwel T = (I+S) / 2). Zie ook artikel 1.1 van de Regeling.
    NB: voorwaarde voor de categorie mobiel is dat het moet gaan om stof(fen) of stofgroep(en), die zijn genoemd in Bijlage 6 van de Regeling onder de categorie mobiel. Zie artikel 3.2.1, sub d van de Regeling.

    In bijlage 6 is voor een immobiele en mobiele verontreinigingssituatie aangegeven welke stoffen zijn toegestaan onder BUS. Bij de toetsing of een sanering wel of niet onder BUS kan worden uitgevoerd, dient alleen rekening te worden gehouden met de verontreinigende stoffen die bepalend zijn voor de saneringsnoodzaak. Dat er mogelijk ook andere stoffen (in licht verhoogde gehalten) in de grond of het grondwater aanwezig zijn, maar die niet leiden tot de saneringsnoodzaak, is niet relevant voor de toetsing of een sanering wel of niet onder BUS kan worden uitgevoerd. Een voorbeeld hiervan is sanering van een verontreiniging met koper en lood, waarbij tevens licht verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen of PCB’s zijn aangetoond. De aanwezigheid van de bestrijdingsmiddelen of PCB’s is in dit geval niet relevant voor de sanering en de saneringsaanpak. Het kan mogelijk wel gevolgen hebben voor de bestemming van de grond, indien de grond van de saneringslocatie wordt afgevoerd.

    Terug naar boven
  •  Welke verplichtingen gelden er voor onderzoek bij een BUS melding?

    In de Regeling uniforme saneringen (artikelen 1.5, 3.1.8 en 3.3.3) is omschreven dat de saneerder de volgende onderzoeken dient uit te voeren en bij de BUS melding dient te voegen:
    a. vooronderzoek conform NEN 5725 (tenzij sprake is van een sanering volgens de categorie tijdelijk uitplaatsen);
    b. verkennend onderzoek conform NEN 5740 (of in een ander kader uitgevoerd voldoende representatief en actueel bodemonderzoek);
    c. indien de resultaten van het vooronderzoek daartoe aanleiding geven een onderzoek naar asbest in grond conform de NEN 5707 (of in een ander kader uitgevoerd voldoende representatief en actueel bodemonderzoek);
    d. nader onderzoek gebaseerd op de NTA 5755 (danwel voorheen de Richtlijn nader onderzoek deel 1), waarbij de aard en de omvang van de verontreinigingen zijn vastgesteld (NB: onderzoek is niet noodzakelijk bij de categorie tijdelijk uitplaatsen en de saneringsaanpakken aanbrengen isolatielaag (art. 3.1.3 RUS) of open ontgraving in combinatie met aanbrengen aanvullaag (art. 3.1.5 RUS) van de categorie immobiel).

    Voor de categorie tijdelijk uitplaatsen geldt dat het uitvoeren van een volledig vooronderzoek niet verplicht is. Het bodemonderzoek kan zich beperken tot de bodem vallend binnen het ontgravingsprofiel. De informatiebehoefte richt zich op de grond die wordt ontgraven en vervolgens wordt teruggeplaatst en mogelijk gedeeltelijk wordt afgevoerd. Onderzoek naar de grondwaterkwaliteit is alleen noodzakelijk voor zover dieper ontgraven wordt dan de grondwaterstand. Het ten behoeve van het verkennend onderzoek uit te voeren vooronderzoek kan daardoor ook op een algemener niveau worden uitgevoerd. Zie artikel 3.3.3 van de Regeling.

    Voor de categorie projectgebied De Kempen geldt dat de saneerder het bodemonderzoek moet uitvoeren overeenkomstig het Protocol Bodemonderzoek Zivest/zinkassenerven.

    Tot slot is verplicht dat het veldwerk ten behoeve van het bodemonderzoek uitgevoerd dient te worden door voor de BRL 2000 erkende bedrijven en personen en dat de resultaten van bovengenoemde onderzoeken zijn vastgelegd in bodemonderzoekrapportages.

    Terug naar boven
  •  Hoe moet een bevoegd gezag Wbb omgaan met een BUS melding die niet volledig is of die niet voldoet aan de vereisten uit BUS of de RUS?

    In hoofdstuk 2.5 van de Handreiking uniforme saneringen wordt hier uitleg over gegeven.

    Terug naar boven
  •  Wat moet er gebeuren indien tijdens een sanering een gewijzigde omstandigheid ten opzichte van de melding voordoet?

    De saneerder dan wel degene die de sanering feitelijk uitvoert, dient wijzigingen ten opzichte van de gegevens verstrekt bij de melding schriftelijk te melden aan het bevoegd gezag. In artikel 1.4 van de Regeling worden regels en termijnen gesteld omtrent de te melden wijzigingen of gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de gegevens verstrekt bij de melding. Wijzigingen kunnen zich voordoen voorafgaanddanwel tijdens de uitvoering van de sanering. Voor het melden van wijzigingen bestaat geen landelijk vastgesteld formulier. Melders wordt geadviseerd bij het bevoegd gezag Wbb te informeren hoe zij dit gemeld willen hebben (brief, fax, email) en of zij al dan niet eventueel een eigen standaardformulier hebben.

    Het bevoegd gezag gaat na ontvangst van de melding wijziging na of sanering nog steeds voldoet aan de eisen van het besluit. Indien dat het geval is, hoeft het bevoegd gezag niets te doen, maar kan er wel voor kiezen om aan de saneerder mee te delen dat de sanering nog steeds in overeenstemming is met het besluit. Indien de sanering niet meer zodanig kan worden uitgevoerd dat voldaan wordt aan de eisen van het Besluit, dan deelt het bevoegd gezag dit de saneerder schriftelijk mee. Deze mededeling omvat in ieder geval een opsomming van de bepalingen waaraan niet is voldaan. Indien de saneerder de sanering toch wil doorzetten dan dient hij een saneringsplan in te dienen conform de reguliere Wbb-procedure. Bovengenoemde mededelingen betreffen niet een besluit (beschikking) in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

    De plicht om de sanering conform het meldingsformulier en de bepalingen van het besluit en de regeling uit te voeren is expliciet opgenomen in artikel 2, tweede lid, van het besluit. Indien tijdens de uitvoering blijkt dat de sanering niet in overeenstemming is met de melding en de eisen van het besluit of de regeling, dan kan het bevoegd gezag direct handhavend optreden. De handhaving kan zowel bestuursrechtelijk (volgens de Awb: dwangsom of bestuursdwang) als strafrechtelijk (op grond van de Wet economisch delicten) direct plaatsvinden. Handhaving kan zich ook richten tot de feitelijke uitvoerder. Hierdoor kan bijvoorbeeld een aannemer, die afwijkt van de melding zonder de opdrachtgever daar in te kennen, ook direct worden aangesproken. Dit versterkt de mogelijkheden van het bevoegd gezag om effectief op te treden.

    Meer informatie hierover is te vinden in paragraaf 2.7 van de Handreiking uniforme saneringen.

    Terug naar boven
  •  Hoe is de samenhang tussen BUS en het verkrijgen van een omgevingsgunning en de start van de bouw?

    Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) per 1 oktober 2010 is de bouwvergunning overgegaan van de Woningwet naar de Wabo en geïntegreerd in de omgevingsvergunning. In artikel 6.2c van de Wabo is neergelegd wanneer een omgevingsvergunning in werking treedt, als de vijf weken termijn is verstreken. De aanhoudingsplicht voor beslissingen op aanvragen om bouwvergunning (art. 52a Woningwet) is in de Wabo in de vorm van een uitgestelde inwerkingtredingsbepaling teruggekomen.

    Doorgaans is in de vergunning als voorwaarde opgenomen dat pas gestart mag worden met de daadwerkelijke bouw op het moment dat het bevoegd gezag Wbb heeft ingestemd met het evaluatieverslag. Bij een sanering waarbij een saneringsmaatregel tevens een onderdeel van het bouwwerk is (bijvoorbeeld een betonvloer die tevens als isolatielaag dient) wordt geadviseerd om praktisch om te gaan met deze voorwaarde en in overleg met het bevoegd gezag die de omgevingsvergunning heeft afgegeven te bepalen wanneer gestart mag worden met de bouw.

    Terug naar boven
  •  Waartoe dient de publicatie van de BUS-melding? In artikel 39b van de Wbb staat namelijk niet wat er dan moet gebeuren, ook niet dat zienswijzen naar voren mogen worden gebracht.

    De publicatie vindt doorgaans plaats in een dag, nieuws- of huis-aan-huisblad danwel digitaal en dient ter bescherming van derden die hun bevindingen kunnen doorgeven aan het bevoegd gezag. Daarmee kan het bevoegd gezag de gemelde gegevens nader controleren en vergelijken met de feitelijke omstandigheden. Alleen bij zeer eenvoudige saneringen binnen de categorie tijdelijk uitplaatsen waarbij al na vijf werkdagen mag worden gestart met de sanering, mag de publicatie achterwege blijven. Momenteel is een wetswijziging in voorbereiding die het mogelijk maakt dat publicaties uitsluitend digitaal plaats te hoeven vinden.

    Terug naar boven
  •  Is het toegestaan om asbesthoudende grond op locatie te zeven (lees: bewerken/reinigen) binnen BUS?

    Zeving op een bodemsaneringlocatie is niet toegestaan binnen BUS. Dit geldt overigens voor zeven in algemene zin, dus niet alleen voor asbesthoudende grond. Toegestane saneringsaanpakken zijn in BUS beschreven. Bewerken van grond is daarin dus niet opgenomen. Achterliggende gedachte hierbij is dat het zeven op locatie overlast kan veroorzaken voor derden. Dit past niet binnen de BUS-gedachte van een simpele aanpak, waarbij ook geen inspraak van derden te verwachten is. Het zeven van (asbesthoudende) grond is een issue waar wel inspraak voor derden mogelijk moet zijn.

    Daarentegen is het wel toegestaan om conform art. 3.1.2 de verontreinigde grond te ontgraven, af te voeren, te reinigen op een daarvoor vergunde en erkende locatie en vervolgens de grond (na keuring) weer toe te passen als aanvulgrond.

    Terug naar boven
  •  Kan ik binnen vijf weken starten met saneren als er voor zover bekend geen belanghebbende derden zijn die bezwaren hebben en het bevoegd gezag geen bezwaar heeft tegen het eerder beginnen dan na vijf weken?

    Nee, dit is in strijd met artikel 39b lid 4 van de Wbb. De reden dat het bevoegd gezag niet moet toestaan dat eerder dan na afloop van de termijn van vijf weken wordt begonnen, is de beperkte rechtsbescherming van derden. Derden hebben dan in ieder geval na publicatie nog enige tijd (tot het einde van de vijf-wekentermijn) om een reactie (geen bezwaarschrift) aan het bevoegd gezag door te geven.

    Terug naar boven
  •  Is het toegestaan om onder BUS binnen een mobiele verontreinigingssituatie een deelsanering uit te voeren of grond tijdelijk uit te plaatsen?

    Nee, binnen BUS is dit niet mogelijk. Voor mobiele verontreinigingssituatie kan alleen gebruik gemaakt worden van de saneringsaanpakken die in paragraaf 3.2 (categorie mobiel) van de Regeling is omschreven. Bij deze saneringsaanpakken dient de verontreiniging in zijn geheel tot de terugsaneerwaarde te worden verwijderd. Een uitzondering is gemaakt voor situaties waarbij een deel van de verontreiniging zich bevinct op moeilijk of niet bereikbare plaatsen ten gevolge van boven- of ondergrondse infrastructuur (zie meer hierover in FAQ nr 13). In alle overige situaties is een deelsanering binnen de categorie mobiel dus niet mogelijk. Ook het tijdelijk uitplaatsen binnen een mobiele verontreinigingssituatie (bijvoorbeeld voor de aanleg, beheer of verwijdering van ondergrondse infrastructuur) is niet mogelijk binnen BUS. Voor dergelijke werkzaamheden kan wel een saneringsplan worden opgesteld.Terug naar boven
  •  Hoe kan binnen de categorie mobiel worden omgegaan met een verontreiniging op moeilijk bereikbare plaatsen?

    Voor situaties waarbij een (over het algemeen klein) deel van de verontreiniging zich bevindt op moeilijk of niet bereikbare plaatsen ten gevolge van boven- of ondergrondse infrastructurele werken en waarbij ontgravingswerkzaamheden schade zou kunnen veroorzaken aan deze infrastructuur, is het binnen de Regeling toegestaan om het niet bereikbare deel van de verontreiniging buiten de saneringslocatie te laten. Hier kan gedacht worden aan verontreinigingen onder gebouwen, hoofd(transport)leidingen en overige belangrijke (ondergrondse) infrastructuur. Zie hiervoor artikel 3.2.1, sub e van de Regeling.

    Op een tekening, die bij de BUS melding moet worden verstrekt, kan worden aangegeven welk deel van de verontreinigingssituatie als gevolg van fysieke belemmeringen niet tot de saneringslocatie wordt gerekend. Overigens blijft wel gelden dat conform de algemene eisen van het BUS de aard en omvang van de gehele verontreingingssituatie bepaald dient te worden. In principe dient de verontreiniging te worden afgeperkt tot minimaal het niveau van de terugsaneerwaarde in grond.

    Op een tekening bij een BUS melding wordt aangeven welk deel van de verontreinigingssituatie als gevolg van fysieke belemmeringen niet tot de saneringslocatie kan worden gerekend. Op het grensvlak van de saneringslocatie met de achtergebleven verontreiniging moet een isolatiefolie en horizontale drain worden aangebracht. De aan te brengen voorzieningen en de restverontreiniging moeten op tekening worden weergegeven en worden gerapporteerd in het evaluatieverslag. In de Regeling zijn geen eisen opgenomen aan het functioneren van de aangebrachte voorzieningen (bijvoorbeeld inwerking stellen van de drain of monitoren van de grondwaterkwaliteit). De saneerder heeft zelf de verantwoordelijkheid voor het deel van de verontreiniging dat niet kan worden gesaneerd alsmede de eventuele gevolgen daarvan (herverontreiniging van de gesaneerde locatie) en het bevoegd gezag kan hieraan dan ook geen (aanvullende) eisen stellen. Bedenk hierbij dat het meestal gaat om niet spoedeisende saneringen, die op vrijwillige basis worden gesaneerd door de initiatiefnemer. De restverontreinigingen, die over het algemeen beperkt van omvang zullen zijn, worden bovendien weer meegenomen in het geval van toekomstige ontwikkeling van de locatie (bijvoorbeeld na sloop van een gebouw of vervangen van kabels en leidingen).

    Saneringen waarbij grotere restverontreinigingen achterblijven op onbereikbare plaatsen of spoedeisende saneringen mogen in principe ook via het BUS worden gemeld. De saneerder is uiteraard ook vrij om te kiezen voor de reguliere saneringsplanprocedure en in sommige (meer complexe) gevallen verdient juist ook aanbeveling om te kiezen voor de saneringsplanprocedure. In dat geval kunnen maatwerkafspraken gemaakt worden over de saneringsaanpak, saneringsresultaat en nazorgmaatregelen.

    Meer informatie over het omgaan met mobiele verontreinigingen op moeilijk bereikbare plaatsen is te vinden in hoofdstuk 6 van de Handreiking uniforme saneringen.

    Terug naar boven
  •  Kan er een gecombineerde melding worden gedaan voor een sanering van een immobiele en een mobiele verontreinigingssituatie?

    Ja, dit is mogelijk onder bepaalde voorwaarden.

    Indien het doel is om zowel de immobiele als de mobiele verontreinigingssituatie te saneren volgens één van de saneringsaanpakken uit de categorie immobiel en respectievelijk de categorie mobiel, kan dit worden uitgevoerd onder BUS door het (gelijktijdig) indienen van twee BUS meldingen. Hierbij wordt de mobiele verontreiniging gesaneerd tot minimaal de terugsaneerwaarden uit artikel 3.2.4 en wordt de immobiele verontreiniging in de bovengrond aangepakt wordt door middel van ontgraving tot de terugsaneerwaarde ofwel door het aanbrengen van een isolatielaag (geschikt maken voor toekomstig gebruik.

    Een andere mogelijkheid wordt geboden door artikel 3.2.2a uit de Regeling. Bij deze saneringsaanpak wordt de mobiele verontreiniging volledige gesaneerd, terwijl de in de bovengrond aanwezige immobiele verontreiniging (die vaak deel uitmaakt van een groter gebied), alleen tijdelijk uitgeplaatst wordt. Een voorbeeld hiervan kan een industrieterrein zijn waarvan de bovengrond sterk verontreinigd is met zware metalen en ter plaatse van een voormalig tankpark een olieverontreiniging voorkomt. De aanpak bestaat uit het tijdelijk uitplaatsen van de met immobiele stoffen verontreinigde bovengrond, waarna de mobiele verontreiniging wordt gesaneerd tot de terugsaneerwaarden en wordt afgevoerd van de locatie. Het aanvullen van de ontgraving vindt plaats met grond van vergelijkbare of betere kwaliteit als de aansluitende bodem met daarboven op de eerder tijdelijke uitgeplaatste (met immobiele stoffen verontreinigde) grond.

    Terug naar boven
  •  In welke situaties mag binnen de categorie tijdelijk uitplaatsen al na vijf werkdagen worden gestart met de sanering en mag milieukundige begeleiding achterwege blijven?

    Bij de categorie tijdelijk uitplaatsen mag indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan al na vijf werkdagen worden gestart met de sanering en afgezien van milieukundige begeleiding. In alle overige gevallen mag pas na vijf weken worden gestart en is wel milieukundige begeleiding noodzakelijk. Het gaat om de volgende voorwaarden:

    - Alle grond wordt na ontgraving teruggebracht in het profiel van ontgraving (dus geen afvoer van verontreinigde grond*).
    - Op de saneringslocatie is geen isolatielaag (in de vorm van een leeflaag of andere duurzame afdeklaag) aanwezig is, die na afloop van de sanering moet worden hersteld**;
    - De bodem is tot ontgravingdiepte is verontreinigd en de kwaliteit de kwaliteit van de terug te plaatsen grond niet verschilt met die van de aansluitende bodem.

    Overigens is het in bovengenoemde omstandigheden wel noodzakelijk dat de werkzaamheden worden uitgevoerd door een BRL 7000 erkend bedrijf en dient eveneens een (verkort) evaluatieverslag te worden ingediend.

    Zie voor meer informatie de paragrafen 2.6 en 7.3 van de Handreiking uniforme saneringen.

    * In de handreiking uniforme saneringen is verder het volgende vastgelegd: “Omdat het praktisch gezien nooit mogelijk is om alle grond weer terug te brengen in het profiel van ontgraving wordt hiervoor een ondergrens gehanteerd van 25 m3. Dit wil zeggen dat wordt voldaan aan de genoemde voorwaarde als ten hoogste 25 m3 verontreinigde grond niet kan worden teruggeplaatst en van de saneringslocatie moet worden afgevoerd.”

    ** De verwijzing naar isolatielaag heeft betrekking op een in het verleden uitgevoerde sanering, waarbij deze constructie als saneringsmaatregelen is aangebracht en ook als zodanig in stand moet worden gehouden.

    Terug naar boven
  •  Wat zijn de terugsaneerwaarden bij BUS?

    Categorie immobiel

    De Maximale Waarden uit het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) gelden ook als terugsaneerwaarden en als kwaliteitseis voor de leeflaag en aanvulgrond. De terugsaneerwaarden voor de categorie immobiel zijn geformuleerd in artikel 3.1.5 van de Regeling uniforme saneringen en zijn als volgt:

    - Indien de saneringslocatie is gelegen in een gebied waarvoor gebiedsspecifiek toetsingskader is vastgesteld volgens het Bbk, gelden de lokale maximale waarden zoals die door de gemeente voor dat gebied en de betreffende functie zijn vastgesteld;
    - Indien de saneringslocatie is gelegen binnen het gebied dat is ingedeeld in de bodemfunctieklasse wonen of industrie gelden de maximale waarden wonen of maximale waarden industrie;
    - Voor situaties waarvoor geen bodemfunctieklassekaart is vastgesteld of voor gebieden die niet zijn ingedeeld in een bodemfunctieklasse (bijvoorbeeld landbouw, natuur en moestuinen/volkstuinen) gelden de Achtergrondwaarden (AW2000) als terugsaneerwaarde.

    Categorie mobiel

    Met ingang van 1 april 2012 zijn de terugsaneerwaarden voor de categorie aangepast. In artikel 3.2.4 van de Regeling is aangegeven dat ontgraven moet worden tot een niveau waarop de ontgraving geurvrij en minimaal aan de volgende terugsaneerwaarden moet worden voldaan:

    - voor grond: de naar grondsoort gecorrigeerde concentraties tot maximaal het niveau van 0,1 x interventiewaarde voor pak (som 10 VROM) en tot de natuurlijke achtergrondwaarden (AW-2000) voor vluchtige aromaten en voor de overige verontreinigende stoffen tot ten hoogste de Generieke Maximale Waarden voor de bodemfunctieklasse wonen;
    - voor grondwater: een niveau gelijk of lager dan de interventiewaarden voor alle stoffen.

     

    Terug naar boven
  •  De BRL 6000 schrijft voor dat verificatiemonsters genomen moeten worden. Moeten altijd controlemonsters worden genomen van putbodems en putwanden bij BUS-saneringen?

    De BRL 6000 en onderliggend protocol 6001 schrijft alleen voor op welke wijze controlemonsters genomen moeten worden, maar niet in welke situaties wel of niet. Bij BUS-saneringen is het alleen verplicht om controlemonsters te nemen indien gekozen is voor een saneringsaanpak waarbij een terugsaneerwaarde bereikt moet worden. Het betreft de saneringsaanpakken volgens artikel 3.1.2 (open ontgraving tot niveau terugsaneerwaarde) en 3.1.5 (open ontgraving in combinatie met aanbrengen aanvullaag) uit de categorie immobiel en de saneringsaanpakken uit de categorie mobiel en de categorie De Kempen. Bij de categorie tijdelijk uitplaatsen en de saneringsaanpak aanbrengen isolatielaag (art. 3.1.3) of open ontgraving in combinatie met aanbrengen isolatielaag (art. 3.1.4) uit de categorie immobiel is geen verplichting om controlemonsters te nemen.

    Bij de saneringsaanpak open ontgraving tot niveau terugsaneerwaarde (artikel 3.1.2) moeten altijd monsters genomen van de putbodem en voor zover de ontgraving beëindigd is binnen de grenzen van de BUS-saneringslocatie ook van de putwand(en). Dit ter verificatie of de terugsaneerwaarde binnen de BUS-saneringslocatie bereikt is. Echter op de grens van de BUS-saneringslocatie hoeven geen controlemonsters genomen te worden. Immers binnen BUS is het toegestaan om binnen de categorie immobiel een deelsanering uit te voeren waarbij de saneringslocatie vaak het te ontwikkelen projectgebied betreft. Monsters nemen van de putwanden op de grens van de saneringslocatie (en/of tevens perceelsgrens) wordt dus vanuit BUS binnen de categorie immobiel niet verplicht gesteld. Voor het afdwingen van onderzoek / sanering op naastgelegen perceel kent de Wbb overigens andere instrumenten.

    Terug naar boven
  •  Wordt het aanbrengen van een fysieke constructie, zoals een vloer van een gebouw, ook gezien als een isolatielaag?

    Ja. Het aanbrengen van een leeflaag is in een aantal gevallen vanuit de situering en het gebruik van een locatie niet gewenst of niet mogelijk. Daarom kan als isolatievoorziening ook worden gekozen voor het aanbrengen van een fysieke constructie, die tot doel heeft de contactrisico’s in afdoende mate tegen te gaan. Voor niet bebouwde oppervlakten gaat het dan om een duurzame aaneengesloten afdeklaag die in zijn geheel bestaat uit een van de in de Regeling genoemde materialen. Voor te bebouwen oppervlakten kan een te realiseren bouwwerk de functie van isolatievoorziening krijgen. Het is in dergelijke situaties dus niet noodzakelijk om, in geval van een bebouwing met een kruipruimte, ook ter plaatse van de kruipruimte nog een volwaardige isolatielaag aan te brengen. Wel kan om andere redenen worden gekozen voor een afdeklaag, bijvoorbeeld een zandlaag van beperkte dikte of een betonlaag als werkvloer voor de bebouwing.

    Terug naar boven
  •  De verontreiniging is perceelsoverschrijdend. Past dit binnen BUS?

    Ja, vanaf 15 juli 2011 is het voor alle BUS categorieën mogelijk om een sanering van een aaneengesloten verontreiniging die voorkomt op percelen van meerdere eigenaren of erfpachters door middel van één melding uit te voeren. Het meldingsformulier moet met deze wijziging niet alleen worden ondertekend door de saneerder en eventueel de eigenaar of erfpachter, indien de saneerder geen eigenaar/erfpachter is, maar ook door de eigenaars of erfpachters van de bij de sanering betrokken aangrenzende percelen. Dit laatste om kenbaar te maken dat de saneerder gemachtigd wordt om de sanering ook op het perceel van de ondertekenaar uit te voeren. Binnen de categorie mobiel blijft wel gelden dat de sanering dat betrekking heeft op een op zichzelf staande mobiele verontreinigingssituatie verontreiniging en in zijn geheel gesaneerd dient te worden (tenzij sprake is van plaatsen die om civieltechnische redenen niet bereikt kunnen worden met in te zetten technieken en voorzieningen). Een voorbeeld hiervan is een olieverontreiniging bij een benzinestation waarbij een (klein) deel van de verontreiniging zich op openbaar terreindeel bevindt en tevens meegenomen wordt met de sanering.

    Terug naar boven
  •  Moeten BUS-meldingen en besluit op het evaluatieverslag van een uniforme sanering geregistreerd worden in het kader van de Wkpb?

    Registratie van de melding van een uniforme sanering is geregeld in artikel 1, onderdeel b, onder 2º, van de Wkpb, zoals dat is gewijzigd bij de Invoeringswet Wkpb. De melding dient derhalve krachtens de Wkpb te worden ingeschreven en geregistreerd.

    Het besluit tot instemming met het evaluatieverslag van een uniforme sanering wordt slechts als beperkingenbesluit aangewezen indien er sprake is van nazorg. Hiervan is sprake bij het in standhouden van een aangebrachte isolatielaag (saneringsaanpak als bedoeld in artikel 3 eerste lid onder c of van een combinatie van de saneringsaanpakken bedoeld in artikel 3, eerste lid onder b en c van het Besluit uniforme saneringen). Indien er geen sprake is van nazorg volgens de regels van het BUS dan wordt het besluit tot instemming met het evaluatieverslag van een uniforme sanering beschouwd als een besluit waarbij de opgelegde publiekrechtelijke beperking die voortvloeit uit de BUS-melding komt te vervallen (zie hierover verder de Nota van Toelichting bij het Aanwijzingsbesluit Wkpb).

    Indien bij een BUS-sanering een gedeelte van de locatie gesaneerd is en dus (mogelijk) sprake is van een restverontreiniging buiten de BUS saneringslocatie (bijvoorbeeld deelsanering binnen de categorieën immobiel of tijdelijk uitplaatsen ofwel een restverontreiniging op een moeilijk bereikbare plaats binnen de categorie mobiel), hoeft het evaluatieverslag dus niet zonder meer kadastraal geregistreerd te worden. Alleen indien eerder voor het hele geval een beschikking ernst en spoed is genomen, kan de registratie blijven staan.

    Naar verwachting zal de verplichte kadastrale registratie van BUS meldingen in de loop van 2012 komen te vervallen. Dit volgt uit de evaluatie van de Wkpb die in 2010 is uitgevoerd. De redenen hiervoor zijn dat BUS meldingen van relatief korte duur zijn en het registreren en weer laten verwijderen van kadastrale registraties voor overbodige administratieve lasten zorgen. De registratie van een evaluatieverslag (in geval van nazorg) blijft wel gehandhaafd.

    Terug naar boven
  •  Wat is het verschil tussen het uitvoeren van een sanering binnen de categorie immobiel en de categorie tijdelijk uitplaatsen?

    Bij de categorie immobiel is sprake is van een saneringsdoelstelling, waarbij de locatie functiegericht gesaneerd worden (geschikt gemaakt wordt voor toekomstig gebruik). Dit komt tot uiting in de saneringsaanpakken waarbij ofwel teruggesaneerd wordt tot een bepaalde terugsaneerwaarde danwel contactmogelijkheden met de verontreiniging voorkomen worden door de aanleg van een isolatielaag, bestaande uit een leeflaag of een duurzaam aaneengesloten verharding. Een dergelijke sanering is vaak gekoppeld aan een projectmatige ontwikkeling gecombineerd met een wijziging van het gebruik van de locatie.

    De categorie tijdelijk uitplaatsen is bedoeld voor de uitvoering van civieltechnische werkzaamheden zoals voor de aanleg, het onderhoud of de verwijdering van ondergrondse infrastructuur, waaronder wordt begrepen kabels, leidingen, rioleringen, duikers, funderingen en vergelijkbare activiteiten binnen een geval van verontreiniging. Bij tijdelijk uitplaatsen wordt de grond normaalgesproken na afloop van de werkzaamheden weer teruggeplaatst in het oorspronkelijke ontgravingprofiel. Dit is echter niet verplicht. Het is zelfs toegestaan om alle grond van de locatie af te voeren.

    Lees meer hierover in bijlage 2 van de Handreiking uniforme saneringen.

    Terug naar boven
Geplaatst op: 13-05-2011|Gewijzigd op: 17-11-2011